De volgende morgen in Kiten komt al vroeg de manager van de jachthaven op bezoek, Georgi. Hij – lang, mager en ongeschoren – heeft een feestje gehad de vorige avond en kijkt nog wat duf. “Hebben jullie niets gehoord? Er is zelfs in de lucht geschoten.”
“De marina en de appartementen zijn voor een deel eigendom van het leger en de geheime dienst”, vertelt hij later bij een kop koffie. “Zij hebben een nieuw contract getekend met een investeerder.” Genoeg reden voor een feestje, maar Georgi is teleurgesteld. “Er moet nog drie miljoen leva in het project worden gestoken, waarvan 750.000 leva in de marina (1). Gisteren is afgesproken dat al het geld in de ontwikkeling en afbouw van de appartementen wordt gestoken. Er worden meer vakantiegangers voor de appartementen verwacht dan in de haven.” Hij wijst: “Jij bent de eerste buitenlandse zeiler die Kiten aandoet.” Het is begin juli en Georgi ziet zijn baan in gevaar komen.
En hij is niet de enige. Na 1989 kwamen tal van politieagenten, leden van de geheime dienst en militairen zonder werk. Ze vonden vaak nieuw emplooi als bodyguard of beveiliger, of belandden in de criminaliteit. ‘In het wetteloze rauwe kapitalisme dat volgde’, zo zou later journalist Hellen Kooijman schrijven in De Groene Amsterdammer, ‘privatiseerden diverse groeperingen met connecties in de veiligheidsdienst de oude smokkelkanalen. Na 1989 zaten bovendien duizenden politieagenten en worstelaars zonder werk. Ze werden ingezet als bodyguards van meer ervaren gangsters of als instrumentarium om onwillige zakenlieden af te persen. Slimmere vratove (dikke nekken) startten hun eigen business, daarbij geholpen door corrupte ambtenaren en politici.’ (2).
Over de uitkomst van de onderhandelingen en het feestje gisteravond wil Georgi, starend over zijn koffie, niet veel meer kwijt. Ook Ivan doet er het zwijgen toe. Zijn interesse is gewekt door een flink motorjacht dat een beetje haveloos op de wal staat. Het is een cadeautje van Fidel Castro aan Zjivkov. Niemand weet er raad mee. Het jacht zou goed dienst kunnen doen, heeft Ivan bedacht, als begeleidingsvaartuig van flottieljes, van tochten met meerdere zeiljachten. Maar niemand durft een beslissing te nemen over een nieuwe bestemming voor het speeltje van Zjivkov.
Ivan kijkt even spijtig, totdat we met hulp van Georgi uiteindelijk diesel in kunnen nemen. De schipper is tevreden. “Zes leva per liter en een betere kwaliteit dan dat je meestal krijgt.”
Via de baai waar de rivier Ropotamo in uitmondt, een prachtig natuurgebied, komen we wat later die dag in Djuni. Het is een typisch modern toeristenoord. Maar in plaats van de hooggestapelde arbeidersparadijzen die je in het noorden veel ziet, is de bouw hier aangepast aan de omgeving. Rond de haven zijn terrasjes, restaurants en een camping. Aan de overkant van de weg liggen wat vakantiehuisjes, winkels en een postkantoor.
In het kantoor van Balkan Tourist wisselen we dollars. Honderd dollar levert ruim 2200 lev op, een dik pak bankpapier. Maria en Svetoslav raden het wisselen op straat af. Onduidelijk is of er aan de grens nog steeds een wisselbewijs van de bank moet worden getoond als bewijs dat het geld legaal is gewisseld. En of dollars moeten worden terug gewisseld. Bovendien loop je op straat het risico dat je opgelicht wordt en achterblijft met vals geld of oude bankbiljetten.
Achter de spinaker aan knallen we daarna met halve wind van zee noordwaarts richting Sozopol, 48 mijlen verwijderd van Varna. De gladgeschuurde heuvels zijn soms ruig begroeid, dan weer kaal en rotsachtig. De kust is ingesneden met kliffen en bestrooid met rotsblokken. Er loopt een beetje stroom van noord naar zuid langs de kust, maar daar hebben we weinig hinder van.
Sozopol is een marinehaven. Zijn we welkom? Dat is de vraag.