Een boomhut vol boeken

(Uit het leven van Jan R.)

1 – ‘Spreek vriend, en treed binnen’
(In de ban van de Ring – J.R. Tolkien)

Jan R. stond voor de brede, zware deur van de bibliotheek. Twee steunberen droegen niet alleen het gebouw maar ook het gewicht van alle dromen en herinneringen die binnen lagen. Over de gevel veegde het laatste daglicht, gedragen op de zware lucht van de nabij gelegen jeneverdistilleerderijen.

De deur zat op slot. Annie, zijn elfjarig dochtertje, keek vragend naar hem op. Jan R. knikte haar geruststellend toe, zoals het een goede vader betaamd. Hij keek om zich heen en duwde opnieuw. Vergeefs.

Hij dacht even na.

‘Vriend’, zei Jan R. toen zachtjes voor zichzelf.
Hij duwde nog een keer. Langzaam zwaaide de deur open. Jan R. glimlachte.
Het werkte nog steeds.

Doelbewust stapten ze samen naar binnen, de donkere hal in.

+++

  1. Op een dag (…) kroop ik in een goederentrein
    (Dharma Tuig – Jack Kerouac)

De eerste keer dat Jan R. door deze zelfde deur ging, was zo’n dertig jaar geleden. Het had weinig gescheeld of hij was helemaal niet naar binnen gegaan. De gevel en entree oogden streng als een kerkgebouw. Als rebelse puber had hij daarvan al wel genoeg gezien. ‘Maar ik had niets meer te lezen dus ik moest wel’, had hij later aan Annie verteld, toen ze oud genoeg was voor logische en simpele verklaringen.

De Openbare Bibliotheek lag aan de Lange Haven in Schiedam. Jan R. had alleen nog maar boeken in het filiaal geleend, een door de overheid vergeten noodgebouwtje in de betonnen flatwijk waar hij woonde: Groenoord. Wat een eufemisme was, bedacht door een gewetenloze planoloog.

Elke week leende hij vier lees- en twee studieboeken. In goed een jaar tijd had hij alle jeugdboeken in de hoogste leeftijdscategorie in het filiaaltje uitgelezen. ‘Behalve die voor de meisjes natuurlijk’, had Annie scherp opgemerkt.

Op een regenachtige zaterdag bracht hij zijn zes laatste boeken terug. Hij was veertien en had zich nog nooit zo verloren gevoeld. Schoorvoetend had hij gevraagd of hij ook boeken mocht lenen in ‘De Grote Bibliotheek’ in het centrum. De bibliothecaresse had vanuit haar kaartenbak even naar hem opgekeken en hem herkend. ‘Ja hoor, jij wel’, had ze gezegd. Hij gloeide van trots.

De woensdag daarop was Jan R. naar het centrum gefietst. In zijn zak had hij een briefje om af te geven aan de balie. ‘Dan komt het wel goed’, had de mevrouw in Groenoord gezegd. ‘Ze knepen een oogje dicht toen ik boeken voor volwassenen mee ging nemen. Als smoesje zei ik altijd dat ik de boeken moest lezen voor school. Dat hielp waarschijnlijk.’

‘Wat waarschijnlijk ook mee hielp’, had Annie geantwoord, ‘was dat de geest van Annie M.G. Schmidt daar nog rondwaarde. Dat zal in jouw geval het liberale uitleenbeleid vast een handje hebben geholpen’. Ze kon voor haar elf jaar soms behoorlijk slim uit de hoek komen.

Jan R. keek haar verbijsterd aan. ‘Hoe dat zo?’

Zijn dochter putte uit haar spreekbeurt-geheugen. ’Nou, Annie heeft daar een tijd stage gelopen toen ze voor bibliothecaris leerde. Ze woonde er zelfs vlak naast, op Lange Haven 111.’

Daar had ze een punt, wist ook Jan R. Als er één iemand was die niet hield van kleinburgerlijk gedoe en partij koos voor ondeugende kinderen, was het good old Annie wel.

‘De eerste roman die ik leende, was Dharma Tuig van Jack Kerouac’, was hij verder gegaan. ‘Daardoor maakte ik kennis met een hele nieuwe wereld, vol van ideeën en avonturen. Het gooide mijn leven volledig overhoop. Daarna las ik Onderweg, ook van Kerouac. En wilde ik alleen nog maar schrijven en liften en niet deugen.’

Annie had haar tong uitgestoken.

‘Dat doe je nog steeds niet.’

+++

3 – ‘Soms zit ik en denk ik, en soms zit ik alleen…’
(Winnie de Poeh – A.A. Milne)

Nu stonden ze in de donkere hal.

‘Gaan we nog verder? Of wil je hier blijven zwijmelen over je verloren jeugd?’

Annie kende haar vader en onderbrak z’n gedachten. Ze huppelde ongeduldig van haar ene voet op haar andere. Haar vlechten wiebelden mee.

Jan R. stuntelde intussen wat met een lichtknopje.

Zuchtend haalde Annie haar telefoon uit haar rugzak tevoorschijn en lichtte hem bij.

‘Ok boomer’, zei ze. ‘Waarheen nu?’

‘Naar boven’, fluisterde Jan R.

‘De trap op’.

+++

5 – ‘Hoera! Een koe! (…) Moeder heeft een koe gewonnen!’
(Boep en Joep – P.H. Fruithof)

Het was die ochtend begonnen met een onschuldige vraag bij het ontbijt.

‘Waar komen alle boeken vandaan?’, vroeg Annie.
‘Boeken groeien in de bibliotheek, lieverd’, zei Jan R.

Vol ongeloof had ze hem aangekeken.

‘Kom maar mee’, had Jan R. gezegd. ‘Ik zal het je laten zien.’

Het pand waarin ze nu zachtjes de trap opgingen, telde twee verdiepingen en een zolder. Voor hen uit ging het licht van Annies’ telefoon, achter hen volgde het duister dat altijd grip op alles wilde krijgen.

Bovenaan de trap hield Jan R. halt.

‘Beloof me dat je hier nooit met iemand over zal praten’, zei hij voor zijn doen ongebruikelijk streng. ‘Behalve natuurlijk met je eigen kinderen als die ooit oud genoeg zijn, in je eigen verhaal’, voegde hij er snel aan toe.

Annie knikte driftig ja en zei ‘Zippp!’

Jan R. duwde met zijn schouder tegen de deur van studiezaal.
Piepend en krakend zoals dat hoort als het een beetje eng wordt, ging die open.

+++

6 – ‘Als hij voorbij Land’s End is, ziek als een hond, gaat-ie Dallas kijken!’
(Langs de kust – Jonathan Raban)

‘Pocahontas’, vloekte Annie vol ontzag.

Het was het enige lelijke woord dat ze mocht gebruiken van haar ouders.

‘Dit wilde ik je laten zien’, zei Jan R. en wees naar boven.

Vanuit de pikzwarte schaduw van de zolder van Lange Haven 131 te Schiedam stak iets uit wat nog het meeste weg had van een hut.

Of beter: een boomhut. Met een dikke stam en takken en al.

De hut zelf torende hoog boven hen uit. Het leek wel wat op de boomhut van Uil uit Winnie de Poeh, vond Annie. Er was zelfs een schoorsteentje. De hut zelf was bereikbaar dankzij een gedraaide trap zoals alleen M.C. Escher ze kon tekenen.

En dat alles was opgetrokken uit honderden en honderden boeken.

‘Poca-, Pocahontas!’, klonk het nog een keer.

Annie pakte haar vaders hand en trok hem mee de zaal in.

De ‘stam’ bestond uit dikke delen encyclopedieën. De traptreden vormden het begin van het leespad dat hij hier dertig jaar geleden was gaan volgen. Dat begon met de twee boeken van Kerouac. Die werden al snel gevolgd door Tolkiens’ In de ban van de Ring en De Lessen van Don Juan van Carlos Castaneda. De treden kronkelden verder omhoog met boeken van Jan Wolkers en Gerard Reve. Iets verder gingen Britse en Amerikaanse schrijvers hand in hand.

En zo ging het maar door. Wand na wand, het dak, de kleine balustrade; vanaf zijn eerste deeltjes Pietje Bel en zijn Dik Trom: alles wat Jan R. ooit had gelezen, was in zijn boomhut verwerkt.

Een overweldigend gevoel van thuiskomen maakte zich van hem meester.

Voorzichtig zette Annie haar linkervoet op het stapeltje boeken dat de eerste tree vormden. Het hield, en iets sneller ging ze verder. Boven aangekomen klom ze door een gat in de vloer en kwam zo in de eigenlijke hut.

Jan R. volgde haar snel. ‘Er is nog niets veranderd’, stelde hij vast. Hoe ze het had gedaan, wist hij nog steeds niet. Maar dit was ongetwijfeld een erfenis te danken aan ‘ouwe Annie’, die hier vast en zeker een hand in moest hebben gehad.

Annie keek intussen ademloos om zich heen.
Hoe heb je dit ooit gevonden, pap?’

Jan R. schutterde een beetje.

‘Ze zijn me een keer vergeten. Iedereen was al weg toen ik beneden kwam en alles zat op slot. Eerst vond ik het eng maar toen ben ik op onderzoek uitgegaan en vond ik uiteindelijk dit. Het was toen alleen veel kleiner natuurlijk, omdat ik nog heel veel moest lezen. Nadat ik ‘In de ban van de ring’ had gelezen, verscheen mijn hut alleen nog maar als ik met de spreuk door de voordeur naar binnen was gekomen.’

‘Held!’, zei Annie en gaf hem een por. ‘Wat slim! En toen? Miste niemand je?’

‘Pas ’s avonds heel laat. Mijn moeder dacht dat ik al naar bed was. Toen ze ging controleren of ik niet stiekem lag te lezen, ontdekte ze dat ik er niet was. Ik werd door de politie naar huis gebracht.’

‘Maar je deugde toch al niet’, zei Annie met haar ijzeren logica.

Vanuit de hut keken ze samen uit over de leeszaal, als natuurfotografen in een hoogzit met uitzicht op een nieuwe horizon.

Opeens hoorden ze geritsel in een stapeltje boeken aan de overkant van de leeszaal, op de tafel pal onder het middelste raam. Het stapeltje lag in de uiterste linkerhoek. Er viel net genoeg licht van buiten op.

‘Jan wees. ‘Nu moet je goed opletten’, zei hij.

Annie keek ademloos toe.

Bovenop het stapeltje boeken lag ‘Totaal’ van Marcel van Roosmalen. Het was het laatste boek dat Jan R. had gekocht en vormde voorlopig het nogal massieve sluitstuk van alles wat hij had gelezen. Het moest alleen nog een plekje in de boomhut vinden.

De gebonden omslag leek zich intussen vanzelf te hebben geopend.

Toen klonk er opnieuw geritsel.

‘Kijk daar’, zei Jan R.

Annie keek langs zijn vinger naar de andere hoek van de tafel. Die was net nog leeg geweest. Ze wist het zeker.

Nu lag er een prachtig piepklein notitieboekje van 70 grams papier, gebonden met een zwart kaftje.

‘Ik denk dat die voor jou is’, zei Jan R.

+++

7 – ‘Echte Kwaliteit moet de oorsprong zijn van subjecten en objecten’
(Zen en de kunst van het motoronderhoud – Robert M. Pirsig)

Ze hadden de studiezaal weer verlaten en stonden bovenaan de trap.

‘Als je een volgende keer komt, vind je hier misschien wel je eigen boomhut’, zei Jan. ‘Met je eigen boeken. Iedereen kan dat, als je er maar voor open staat.’

‘En het wachtwoord weet’, zei Annie fijntjes.

‘Maar dan moet je wel blijven lezen natuurlijk’, vervolgde Jan. ‘Anders groeit er niets.’

‘Natuurlijk doe ik dat’, zei Annie. ‘Ik wil ook een hut.’

Jan R. keek gelukzalig.

‘Maar kunnen we nu gaan? Het wordt weleens tijd dat ik mijn eigen verhaal ga schrijven, vind je ook niet?’

Annie tikte op het notitieboekje en stak het weg in haar rugzak.

En met een grijns van oor tot oor sprong ze op de leuning en roetsjte met een rotvaart naar beneden.


Inzending voor de schrijfwedstrijd in 2022 van Bibliotheekblad. thema was: De bibliotheek is een bijzondere plek. er waren 387 inzendingen.