
Ik heb iets met polaroids. Al van kinds af aan.
De eerste kennismaking was ergens in een zomervakantie, begin jaren ’70. Ik mocht een dag mee met mijn vader. Hij, vertegenwoordiger, fotografeerde winkelgevels van potentiële klanten. Aan die gevels zouden automaten komen. Om te beoordelen of het allemaal wel kon en mocht, moesten de foto’s snel klaar zijn.
Zestig seconden duurde dat magische moment van opname tot afdruk. In de ene minuut bouwde het beeld zich van lieverlee op, volgens de wetten van een procedé dat eind jaren ’20 al was bedacht door Edwin Land, de grondlegger van de instant photography en oprichter van Polaroid Corporation.
Van idee en theorie naar de werkbare praktijk van een direkt-klaar camera duurde daarna nog twintig jaar. In 1948 verscheen de Polaroid Land Camera Model 95.
Het formaat, de manier waarop het beeld tot stand kwam, de kadering; het was een bijna rebelse manier van fotografie. De manier waarop het beeld van lieverlee ‘tot leven’ kwam, bracht me uiteindelijk tot een eigen doka waar ik nog jarenlang getuige was van diezelfde magie.
Het bijzondere kader met de brede onderkant verankerde het beeld en dicteerde dat je nóg scherper moest kijken en de compositie moest bepalen.
Zoek en vind de essentie.
Leg dat vast; kader en veranker het.
Zoiets.



















