1. De grens

Het station van Bukarest ligt er hard bevroren bij. Wachtende treinen – kil en oncomfortabel – staan in de maartse ochtend in spartaanse slagorde opgesteld; de neuzen in het gelid naar het westen. Groezelige, ongeschoren mannen slenteren rond op de perrons. “Need a room mister? Chance money mister?”

Ze praten binnensmonds en terloops in het voorbijgaan, terwijl ze argwanend rondkijken. Alsof de Securitate, de geheime dienst, iedereen nog in de gaten houdt. Dronken invaliden op krukken slepen zich intussen voort. Ze zijn grauw als het verpauperde station en steken schril af bij geüniformeerde groepjes agenten die – in diverse kleuren waakzaam blauw – af en toe in het station opduiken.

Ik was twee dagen eerder vanuit Nederland vertrokken en in Keulen overgestapt op de snelle Donau-Koerier via Wenen naar Budapest. In de Hongaarse hoofdstad was het gedaan met de internationale allure. De reis ging verder met een naamloos treinstel naar Bukarest, Roemenië. Vier grenspassages na het vertrek uit Nederland, en heel wat uren later, hees ik daar op station Gara de Nord vermoeid mijn 25 kilo zware rugzak om en verliet de trein. Ik was voor een aantal artikelen op weg naar Varna aan de Bulgaarse Zwarte Zeekust. Bukarest moest een halte worden; een korte tussenstop zoals Keulen, Wenen en Budapest. 

Maar het laatste deel van de reis naar Roemenië was tegengevallen. In Lőkösháza, het Hongaarse spoorwegstation aan de grens met Roemenië, werd de trein overrompelt door een overmacht aan douane, militie en leger. Roemeense staatsburgers werden bruut en onbeschoft uit de trein gehaald. Enkele reizigers werden afgevoerd naar een houten barak langs de rails en bleven daar achter. Soldaten liepen er in en uit, het geweer op de rug.

De sneeuw langs de rails was smerig van de vele voetstappen van rangeerders en militairen. Buiten vroor het een graad of tien. Tot hier, aan de grens, had ik de onverwarmde, ijskoude coupé gedeeld met een magere jongen van een jaar of twintig. Hij was in Budapest de coupé binnen gestommeld met twee volle grote plastic tassen, een ouderwetse zwart-geruite koffer en een lege blik in zijn ogen. ‘Kauf mit Köpfchen, Woolsworth’ riep een van de plastic tassen op. Een gesprek wilde niet vlotten. De jongen had alleen interesse voor de inhoud van zijn tassen die regelmatig werd gecontroleerd en bijna geliefkoosd. Gehaast at hij een zakje nootjes leeg. 

In Lőkösháza werd hij uit de trein gehaald en verloor ik hem uit het oog.