2. Kijven

Intussen liep het oponthoud aan de grens verder op. Een conducteur waarschuwde dat het onverwarmde treinstel aan de grens zou achterblijven, inclusief mijn gereserveerde coupé. Hij loodste me het aangrenzende eersteklas treinstel in en wees een andere coupé aan. Zich excuserend opende hij de deur.

Ik begon bijna spijt te krijgen dat ik het vliegtuig niet had gepakt. Maar bij het plannen van de reis had ik al snel besloten dat het de trein moest worden, Ik was nieuwsgierig naar het ‘nieuwe’ centraal Europa. De Muur was nog niet zo lang geleden gevallen, Ceaușescu nog maar pas verjaagd, Joegoslavië viel uiteen; je kon ook nog maar net gewoon rondreizen door de voormalige Oostbloklanden als Hongarije, Roemenië en Bulgarije. Treinreizen leek me de uitgelezen manier om onderweg mensen te spreken en verhalen op te tekenen. Maar reizen met internationale treinen betekende lang niet altijd de grandeur van de Orient-Express, dat was inmiddels wel duidelijk. ‘Treinreizen romantisch? Het is alleen maar koud, koud, koud’, las ik later terug in mijn blocnote; gekrabbeld met verkleumde vingers en nauwelijks te ontcijferen.

De nieuwe ruimte was op een reizigster na leeg. Ze zat tegenover me; tenger, blonde staart en alweer zo’n mager gezicht. Haar holle ogen in de donkere kassen staken af tegen het bleke gelaat, als de zwarte sintels in het vliesdunne laagje sneeuw langs de spoorbaan. Ze groette vriendelijk.

Net nadat ik mij languit over drie zitplaatsen had uitgestrekt om te gaan slapen, kwam er een vrouw binnen. De nieuwe passagier eiste op hoge toon haar zitplaats, en daarmee mijn slaapplaats op. Briesend en kijvend schond ze de gemoedelijke status-quo; het pact dat net in de kleine ruimte was gesloten. Gehuld in haar bontmantel schold ze zich een weg dwars door mijn prille territorium heen, er op hamerend dat dit én eerste klas was, én gereserveerd. 

Terwijl ze haar dure kofferset in het net en de bijpassende beauty-case op mijn bank smeet, offerde mijn stille overbuurvrouw haar slaapplaats op en bood mij de zitplek naast haar aan. Het contrast tussen de twee vrouwen kon haast niet groter. Samen belichaamden zij een tegenstelling die ik later die reis vaker aan zou treffen. In die kleine coupé in een dwars door Roemenië stommelende trein leek het net alsof de Muur niet was omgevallen, maar honderdtachtig graden gedraaid. Mensen werden zo gescheiden in ‘have’ en ‘have-nots’. 

Een vriend in Bulgarije drukte het later zo uit: “De nomenclatura, de KGB en de maffia maken overal de dienst uit. Als je machtige vrienden hebt of veel zwarte handel, zit je goed en draag je een beauty-case of lammy-coat. De rest van de bevolking sjouwt met jouw kartonnen dozen en plastic Woolsworth-tasjes.”

De vrouw haalde er een conducteur bij, een die niets wist van eerdere afspraken. Het kostte vijf D-mark om zijn bezwaren weg te nemen. Ik mocht blijven zitten en de reis naar Bukarest kon verder in de eersteklas.