6. Rondleiding

We liepen op straat. In het centrum patrouilleerde een opvallende, gloednieuwe Chevrolet, zo weggereden uit een Amerikaanse tv-serie. “Een geschenk van de Amerikaanse overheid aan onze politie. Zij hebben twee van zulke wagens gekregen. Hopelijk wil Amerika meer hulp geven. We need it.” 

Petru leek van alles op de hoogte. Hij wilde me zijn stad laten zien en leek nu een stuk vrolijker. Bij het verlaten van een metro-uitgang in de buurt van de universiteit wees hij op kogelgaten. De muurtjes van de entree langs de trappen waren in de decemberdagen van ’89 gebruikt als borstwering. Wild maaiend met een denkbeeldig machinegeweer liep mijn gids voor me uit, dook af en toe weg om ratelend zijn rol in de omwenteling te onderstrepen. Geen misverstanden: hij had meegevochten aan de kant van het volk. 

De doden die hier waren gevallen, werden ruim een jaar na dato nog steeds geëerd met tuiltjes bloemen en dunne brandende kaarsen. Terwijl aan een kant van het universiteitsgebouw een oude vrouw een verse muurkrant probeerde op te plakken, leegde om de hoek en buiten haar beeld een man onverschillig zijn blaas tegen de donkere muur. Petru zag het niet. Hij was doorgelopen en schamperde over de wrakke bussen en de kapotte telefooncellen. “Hier, kijk mijn vriend. Dit is het Roemenië van vandaag,” zei hij hoofdschuddend.

Op het Universiteitsplein stond ik in gedachten even stil bij de balkonscène van Ceaușescu, op die gedenkwaardige 21 december 1989. Een paar dagen daarvoor was in Timișoara het verzet uitgebroken toen de Securitate de kritische predikant László Tőkés wilde oppakken. Het verzet mondde de dagen daarop uit in veldslagen met het leger en de staatsveiligheidsdienst, waarbij tanks werden ingezet tegen de bevolking en met scherp werd geschoten. Maar de opstand werd zo massaal dat op 20 december het leger zich uit Timișoara moest terugtrekken. 

Berichten over wat er in Timișoara gebeurde, vonden die week maar langzaam hun weg naar de hoofdstad. Daar dacht de Geliefde Grote Leider op 21 december vanaf het balkon van het gebouw van het Centraal Comité duidelijk te maken dat hij nog steeds de baas was. Maar in plaats van het gebruikelijke plichtmatige applaus en geregisseerde gejuich klonk er dit keer gejoel dat door steeds meer mensen werd overgenomen. De Ceaușescu’s en hun apparatsjiks keken vanaf het balkon vol ongeloof en afgrijzen toe. 

Een dag later bestormden duizenden betogers datzelfde hoofdkantoor van het Centraal Comité. Het leger hield zich afzijdig. En nog een dag later probeerden de Ceaușescu’s per helikopter vergeefs te vluchten, waarbij ze werden gearresteerd. 

Op 25 december 1989 werden Nicolae en Elena Ceaușescu ter dood veroordeeld en nog diezelfde dag door een vuurpeloton geëxecuteerd.

5. Protestanten

In de woonkamer stond een enorm tweepersoonsbed. Het monstrum vulde de hele kamer en liet alleen aan het voeteneinde een smal paadje over. Tegenover het bed, aan de andere kant van het paadje, stond een tafel met daarop een televisie. Daarnaast stond een wrakke stoel.

Een fauteuiltje in de hoek van de kamer en een wandkast naast het bed vormde de rest van het rommelige decor. Afgetekend tegen een oranje sprei op het bed lag een kind; een jongen van een jaar of acht die met slaapdronken ogen eerder bang dan verlegen opkeek. Hij zag bleek en hoestte met een diep en rauw geluid.

Petru verontschuldigde zich voor alles wat hij maar kon bedenken: het kleine huis, de rommel, het gebrek aan luxe. Hij nam gedienstig mijn jas aan en hing hem aan een overvolle kapstok naast de voordeur, onderwijl druk kwetterend tegen een kordaat uitgevallen vrouw bij wie tegen haar zin vermoeide trekken in het gezicht waren gegraveerd. Ze stelde zich voor als Ileana.

Petru deed opgewonden zijn verhaal. Ileana luisterde toe, druk bezig met het opruimen van rondslingerende kleding en het wegvegen van onzichtbaar stof. Ze plofte op bed toen Petru het kennelijk had over ‘Nederland’ en sloeg haar hand voor haar mond. De jongen was langzaam opgekrabbeld en zat nu recht op. 

Er ging een deur open aan de andere kant van het bed. Een tweede vrouw kwam binnen, tenger als Petru en het kind. Ze liet zich in de stoel aan het voeteneinde vallen en hoorde het gesprek tussen Elena en Petru aan. Vorsend nam ze me op, met doordringende ogen. Petru gebaarde druk van de nieuwkomer naar mij en terug: Spreek jij toch met hem! 

De vrouw onderwierp me aan een kort kruisverhoor in vrijwel accentloos Nederlands. “Kom je echt uit Nederland? Waar vandaan dan? Wat doe je daar? Waarom ben je hier? Waar ga je naar toe? Wat ga je daar doen? Waarom?”

Terwijl mijn verbazing week, probeerde ik zo goed mogelijk antwoord te geven. Petru onderbrak het vraag- en antwoordspel regelmatig en probeerde uit te leggen dat de vrouw jarenlang in Nederland had gewoond. Hij wisselde veelbetekenende blikken met Ileana, die plotseling ingreep en met een paar luide zinnen het gesprek onderbrak. De andere vrouw vluchtte in zichzelf pratend naar de keuken.

Er hing een nerveuze sfeer. De jongen op het bed draaide zich op zijn zij. Hij leek niet gewend aan een crisis als deze, al sliep en woonde hij sinds zijn geboorte tussen de volwassenen. Ileana maande Petru om mij in het Engels uit te leggen wie de tweede vrouw was. “Het is Ileana’s nicht, Puka,” fluisterde hij met een half oog naar de keuken. “Ze is gek. Heel erg gek. Ze is jaren geleden naar Holland gevlucht. Ze had daar een huis, werk. Alles. Nu is ze plotseling terug gekomen en heeft ze haar man en twee kinderen in Holland achtergelaten.” Hij schudde meewarig zijn hoofd. “Ze is echt heel erg gek.”

In de keuken werd een lucifer afgestreken en diep geïnhaleerd. 

In de kamer bleef het even stil. Petru probeerde de sfeer te redden. “Are you hungry, my friend? Maybe you want to sleep a little, yes? You can sleep in the bed of Puka. We clean for you.”

Ik had geen slaap. Maar van de badkamer maakte ik graag gebruik. Ik waste me zo goed en zo kwaad bij een gescheurde wasbak waar een dun straaltje lauw water uit de kraan kwam. Roestige leidingen langs een bladderende muur leken elk een eigen leven en bestemming te hebben. 

Ik wist nog steeds niet waarom ik zo’n geschenk uit de hemel was en wat het ‘kleine probleem’ betekende. Verfrist kwam ik terug in de kamer. Petru was druk bezig geweest om een maaltijd te organiseren. “Je moet eten, ja?” was een retorische vraag, een uitnodiging die ik zonder te beledigen onmogelijk af kon slaan. 

Terwijl Petru druk heen en weer liep en net deed alsof hij veel bijdroeg aan het tot stand komen van de maaltijd, deed Ileana in de keuken het eigenlijke werk. Puka was inmiddels teruggekeerd in de woonkamer en nam me stilzwijgend op. Nerveus pakte ze een nieuwe sigaret, rolde die tussen haar duim en wijsvinger, aarzelde en stak toen op. “Ik heb veel problemen in Nederland gehad. Er zijn hele erge dingen met me gebeurd. Weet je door wie?”

 Ze pauzeerde. Terwijl haar donkere ogen het ene moment fel opvlamden, doofden ze even snel daarna weer uit. “Door mannen. En door de protestanten. Ben jij een protestant?” 

Nerveus streek ze haar lange haar uit haar gezicht. 

Nog voordat ik antwoord kon geven of haar opmerkingen kon plaatsen, dook Petru op vanuit de keuken. Het leek alsof hij onraad rook. Puka kroop weer in haar schulp. Ze mompelde zacht voor zich uit, nog steeds in het Nederlands: “Ja… ja… Protestanten.” Om daarna giechelend een trek van haar sigaret te nemen. Al die tijd keek ze zoekend de kamer rond, haar ogen richtend op onzichtbare punten om me dan weer plotseling doordringend aan te kijken. Uit niets viel af te leiden wat haar volgende stap zou zijn. 

Petru was daarentegen duidelijk in zijn bedoelingen. Hij probeerde mij op m’n gemak te stellen. Was meelevend, – of ik echt niet wilde uitrusten? – hoezeer ik hem ook verzekerde dat dit niet nodig was. Hij leek te worstelen met de indruk die hij wilde hij maken; waarbij omgeving, interieur, familieleden, misschien alleen al het feit dat hij Roemeen was, hem in zijn ogen parten speelde tegenover die buitenlandse vreemdeling, die hij zo hard nodig had. 

Ik kon alleen maar raden naar de persoonlijkheidsstructuur die daaraan ten grondslag lag en die moest omgaan met de storm van tekortkomingen die hij voelde en mogelijkheden die hij zag, zonder direct te weten hoe dit voordeel te benutten. Zijn verontschuldigingen voor de ‘schamele maaltijd’ die op tafel kwam, waren ronduit pijnlijk. Ik had de meest comfortabele stoel gekregen, meteen al bij binnenkomst. Nu werd er speciaal een tafeltje voor me neergezet dat apart werd gedekt. Ik begon me opgelaten te voelen onder alle gastvrijheid, helemaal toen ik de hoeveelheden gebakken aardappelen en vlees zag die ik kreeg. 

Petru en het kind aten ook. Ileana niet. Zij bezwoer dat zij geen honger had. Maar ik durfde er heel wat onder te verwedden dat zij het eten uit haar eigen mond spaarde.

En Petru zich maar verontschuldigen.