4. Godsgeschenk

Ik weet niet meer wanneer de man was binnengekomen. Hij stond opeens naast m’n tafeltje, mee geslopen met een van mijn duistere gedachten. Hij taxeerde me, en nam de situatie in zich op. In gebrekkig Engels vroeg hij of hij mocht gaan zitten. Zijn houding was tweeslachtig. Tegenover mij gedroeg hij zich onderdanig, op het serviele af. Zijn bestelling daarentegen blafte hij richting bar.

Mijn tafelgenoot was mager. Zijn gemiddelde lengte in aanmerking genomen, vertoonde hij tekenen van ondervoeding en op z’n minst een chronisch vitaminegebrek. Hij leek een jaar of veertig, vijfenveertig. In werkelijkheid was hij vijfendertig, bleek later. 

Met een bestudeerd gebaar legde hij zijn muts voor zich op tafel. Zijn vingers streken langs het grijze bont, pauzeerden even en namen opnieuw een aanloop naar een gesprek. Het was als een aarzelende hordeloper die veel grotere hindernissen dan alleen de taalbarrière voor zich zag. Stil roerde hij zijn koffie en tikte daarna met zijn lepeltje op de rand van het kopje. Het klonk als een startschot.

“Het is koud he? Winters in Roemenië zijn verschrikkelijk.Veel te koud.” Ik lachte een beetje en zei dat het toch wel mee viel. De Roemeen nam een slok en gebruikte de pauze om z’n volgende openingszet te bedenken.

“Waar kom je vandaan?”

“Uit Nederland. Ik ben op doorreis naar Bulgarije.”

Het koffiekopje belandde met een klap op tafel. De Roemeen veerde op. “Je komt uit Nederland? Werkelijk waar? Oh, mister! Echt? Uit Holland? Dit is een mooie dag! Oh, thank god!”

Hij hief herhaaldelijk zijn handen ten hemel, de heer dankend en de dag prijzend. Uiteindelijk leunde hij na een diepe zucht met een ongelovige blik in zijn ogen achterover. Zijn uitbundige reactie veroorzaakte opschudding. Andere bezoekers keken argwanend toe hoe hun landgenoot zich opwond terwijl hij met een westerling sprak. Petru, zo stelde hij zich voor, begreep weer waar hij was. Hij taxeerde de schade van zijn uitbarsting. Kennelijk viel die mee. Op gedempte toon ging hij verder. “Mister, wat ben ik blij dat ik je heb ontmoet. Kom je echt uit Nederland? Luister. Je moet me helpen. Please. It’s only a little problem.”

Ik wilde beleefd en vriendelijk blijven maar dat kostte moeite. Dit ‘godsgeschenk’ was die dag al té lang geconfronteerd met mensen die van alles wilden: conducteurs die geld vroegen, soldaten die sigaretten bietsten, zwart geldwisselaars, kruiers en taxichauffeurs met hun onophoudelijk gevraag. Ik was moe en had er meer dan genoeg van. 

En nu zat die magere Roemeen mij hier verwachtingsvol aan te kijken. Terwijl ik was gewaarschuwd. Ik had net ‘Uitgestelde bevrijding’ gelezen, van prof. dr. Zdenek Radslav Dittrich, de vader van D66-politicus Boris Dittrich. De auteur was Tsjech van geboorte, in 1948 naar Nederland gevlucht en tot 1 oktober 1987 hoogleraar Oost-Europese geschiedenis aan de rijksuniversiteit in Utrecht. 

Dittrich zette onder meer uiteen hoe de bevolking in Oostelijk Europa in de voorbije eeuwen ‘geestelijk werd geknecht’ zoals hij het noemt, en concludeert: ‘Het communisme in zijn hoedanigheid van seculiere religie knoopte aan bij de ergste uitwassen van de contrareformatie’. Dittrich wijst op de sociaal-psychologische schade die daarbij is opgelopen. Schade die zich uit door: ‘Huichelachtigheid en cynisch conformisme, double think en dubbele moraal, torenhoge taboes met name op seksueel gebied en sadomasochistische deformaties in de persoonlijkheidsstructuur’.

Vooral van dat sadomasochistische deformaties in de persoonlijkheidsstructuur. was ik even stil geworden. Wat stond me allemaal niet te wachten bij mijn eerste kennismaking met Oost-Europa? 

Petru hing intussen aan mijn lippen en ik wist dat hij niet los zou laten voor ik had ingestemd. Ik was bang dat zijn ‘kleine probleempje’ geldgebrek zou zijn en verzoende me al half en half met het betalen voor een maaltijd. Hij moet gemerkt hebben dat ik aarzelde en begon gehaast en stamelend aan te dringen. “Really, It is a little problem. Please, ga even met mij mee naar huis. Only five minutes from here, my place is. Duurt maar eventjes. Please mister?”

Het vooruitzicht om met Petru mee te gaan, had iets aantrekkelijks. De laatste keer dat ik had gekeken, zou het nog zeker vier uur duren voor er een trein naar Bulgarije zou vertrekken. Het zou een verademing zijn om even het station te kunnen ontvluchten. Bovendien was ik nieuwsgierig naar Petrus’ huis en zijn verhaal. Het was een te toevallige kans om voorbij te laten gaan. Ik nam een besluit. “Goed. Ik ga met je mee. Maar ik wil wel eerst kijken hoe laat de treinen vertrekken. Ik moet hier zo snel mogelijk vandaan.”

Het klonk een beetje kortaf. Om Petru te ontmoedigen. Om hem vooral niet het idee te geven dat er een vette Westerse vis aan de haak was geslagen. Gedienstig hielp hij met het ophijsen van de rugzak terwijl hij zich vol bewondering afvroeg – al dan niet gemeend – hoe ik toch dat gewicht kon tillen. 

Met snelle driftige passen beende hij even later door de stationshal en slalomde nerveus tussen reizigers door naar het vertrekbord. Er zouden nog uren verstrijken voordat er weer een trein zou rijden. 

*

Bij de uitgang van het station snauwde Petru toeschietende taxichauffeurs naar hun wachtende auto’s terug. Tussen de walmende Trabantjes stormde een grommende tankwagen op ons af, met een neus gebouwd om het op te nemen tegen alles wat zijn weg maar durfde te kruisen. ”Deze kant op, deze kant op. Pas op, pas op,” waarschuwde hij steeds voor het aansnellende verkeer. Het station en de gebouwen rondom waren geblakerd door de uitlaatgassen. Er hing een benauwende walm van diesel vermengd met de onmiskenbare lucht van bruinkoolgestookte kachels.

De woning bleek inderdaad niet ver. Petru hield stil bij een verveloze voordeur die een duister halletje verborg. Hij maakte zich bij voorbaat vrolijk over de reactie van zijn familie. We stapten in een door een flets peertje verlichte lift, die angstig en waarschuwend kraakte toen we binnen traden. Er was nauwelijks plaats voor twee personen. Met de rugzak tussen ons in werden we langzaam naar de zesde etage getakeld. Petru probeerde intussen hakkelend en verward wat inzicht te geven in zijn familieverhoudingen. Ik begreep dat er een echtgenote of een vriendin was, een kind en nog een of ander familielid. 

Eenmaal boven gekomen was ik blij de benauwde lift te kunnen verlaten. Petru zocht nerveus naar zijn sleutels, mompelde, zuchtte, en belde toen aan.

3. De kinderen

‘Trrr… trrr… trrr…’ 

De cijfers ratelden over het metershoge bord boven het informatieloket in het station. Er verschenen steeds nieuwe vertrektijden, zonder mededogen met gestrande reizigers. Het leek wel alsof ze zich verheugden in het aangekondigde oponthoud. ‘Trr… trr… Blijf hier… blijf hier…’

 De aankomst- en vertrektijden waren bij benadering, zo stond er voor alle zekerheid bij. Vertragingen werden aangegeven in minuten. Een oponthoud van 270 minuten ratelde spontaan naar een onderbreking van 450 minuten; van 4,5 naar 7,5 uur. ‘Blijf hier…’ 

Ik zat gevangen tussen aankomst en vertrek, een moedeloos makend gat in de tijd. Mijn volgende trein moest uit Moskou komen en me naar Ruse brengen, net over de grens met Bulgarije. Daar zou ik voor de laatste keer overstappen, op de trein naar eindbestemming Varna. 

Dat de Rossiejskieje Zjeleznye Dorogi (RZjD, de Russische spoorwegmaatschappij) mijn reis niet tot topprioriteit had gemaakt, kon ik me nog wel voorstellen. Na het definitief uiteenvallen van de Sovjet Unie nu krap drie maanden geleden, op 8 december, hadden ze daar wel iets anders aan hun hoofd. Maar na zes uur hangen en drentelen tussen het informatiebord en een paar verwarmingsplaten in de hal hield ik het niet meer uit. Al die tijd had ik een bezoek aan een restaurant of café voor me uit geschoven. Ik had even geen zin in bedelpartijen of nieuwe, grove bejegeningen. Maar nu zocht ik met mijn rugzak als enige houvast toevlucht in het bufé, een bruin en sepia kleurige pijpenla met vier formica tafeltjes langs de ene en losse keukenstoelen tegen de andere wand. Binnen werden handeltjes beklonken en wisselden stapeltjes geld van eigenaar. Af en toe vloog er een kind naar binnen of naar buiten met een boodschap, of bedelend om sigaretten of geld. “Please give me a dollar mister? I love you. Please?”

De kinderen vormden een verhaal apart. Ze zwierven de hele dag rond op het station, soms spelend en zingend, dan bedelend of elkaar achterna zittend. Ze droegen afgetrapte schoenen en vieze truien. De meesten van hen hadden sluike ravenzwarte koppies, met vuile vegen onder veel te wijze ogen. Als ze niet door de volwassenen werden weggejaagd, vonden ze ’s avonds een beetje beschutting in de grote wachtruimte op het station; een lokaal met lange houten banken, schaars verlicht, waar honderden mensen soms al dagen wachtten – snurkend, ruziënd of dof voor zich uit starend – op treinen die misschien nooit meer zouden komen. Het voorportaal van de hel moest er ongeveer zo uit zien, inclusief de alles doordringende pislucht en stank van ongewassen lichamen. Voor de zwerfkinderen was er eventueel ook nog plaats onder de grond, tussen de verwarmingsbuizen en in de riolen van de stad. 

Zo erg was het.