5. Buien

Om een uur of elf ’s avonds verlaten we het haventje waar Ivan de boot heeft liggen. Het is een Petterson kajuitzeiljacht van een kleine tien meter. Snel steken we de scheepvaartroute over. Het is rustig op het water. Er liggen meer schepen voor anker wachtend op lading dan dat er rond varen. 

Over een fluorescerende zee gaat het naar het zuiden. Een mijl uit de kust ligt de steven urenlang vastgeklemd tussen een heldere ster hoog in het bakboordswant en een rood baken op de wal, stuurboord van de mast. Ivan en Maria duiken al vrij snel na het vertrek in hun kooi. De koers is pal zuid, 180 graden. Het buitenmaats model kompas komt van een koopvaardijschip en bewijst goede diensten. 

Verderop in het zuiden ligt de Bosporus naar de Middellandse Zee. Van de haven van Istanbul naar die van Varna is over water zo’n 180 zeemijl, zo’n 335 kilometer. De Bosporus is een flessenhals die westerse schepen en jachten dit jaar liever voorbij varen. Sinds kort is er wel een nieuwe toegangspoort, een waarvan in de Balkan wordt gehoopt dat het de Mare Incognitum verder zal ontsluiten. Alsof er geen zwaarbevochten grenzen bestaan, wordt dwars door Europa hard gewerkt aan de voltooiing van een kanaal dat de Noordzee in het westen rechtstreeks verbindt met de Zwarte Zee in het oosten: het Rijn-Main-Donau-kanaal.

Al in de tijd van Karel de Grote werd gedroomd van zo’n verbinding tussen de stroomgebieden van de Rijn en de Donau. Een deel van het kanaal is al in gebruik en in september 1992 gaat het hele RMD-kanaal open. Dat moet, zo is de hoop in Roemenië en Bulgarije, een impuls geven aan het vrachtvervoer. Maar langs de boorden van de Zwarte Zee hoopt iedereen toch ook op een boost van het toerisme. Dat is hard nodig. De economie van Bulgarije is na 1989 door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie sterk ingezakt, waarbij de levensstandaard daalde met 40 procent. 

In de regel waait er aan de Bulgaarse kust van begin mei tot eind september ’s nachts een aflandige wind die in de loop van de ochtend gaat liggen. Een paar uur later steekt er dan vanaf zee een briesje op die in de loop van de dag zal draaien. Maar de afgelopen dagen was het weer van slag. ’s Nachts draait de wind dan ook alle kanten op. Het eerste uur na ons vertrek is het windstil en moet de motor bij. 

Dan brengt een zachte bries warme dennengeur vanaf het land. De wind wakkert aan. Ter hoogte van het plaatsje Byala staat er al een dikke vijf en schuimend ruist de zee om ons heen; groen oplichtende golven laten het schip af en toe flink rollen. De halve wind zwenkt van lieverlee naar de bakstag. De lucht trekt dicht en achteromkijkend zien we felle bliksemschichten een zwart gordijn uiteen rijten. De Petterson racet snorrend en trillend over de golven, op de huid gezeten door de bakstagwind. 

De zee doet z’n oude Griekse naam eer aan. Omdat het hier in de Griekse oudheid moeilijk navigeren was, zeker in zware stormen of met dichte mist, noemden de oude Grieken deze zee Pontos Axeinos: ‘Donkere’ of ‘Sombere Zee’. Dat werd al in de eerste eeuw na Christus vastgelegd door de Romeinse geograaf Pomponius Mela. Volgens hem kwam de benaming van Griekse reizigers die na ontberingen als storm en dichte mist vaak ook nog eens te maken kregen met een strijdlustige lokale bevolking langs de kusten. Waarschijnlijk waren de Romeinen een paar eeuwen later al wat meer vertrouwd geraakt met de Zwarte Zee. Zij spraken juist van Pontos Euxinos: de ‘Gastvrije Zee’. 

Gastvrij of niet, opeens en zonder waarschuwing varen we hoog aan de wind en gaat het snel harder waaien. Telkens lichten er schuimkoppen op. Met het ongereefde grootzeil en de genua op loopt het schip na een paar stevige rukwinden uit het roer. We hangen tussen omslaan en drooghouden. Dan schieten we met het zweet in de handen in de wind op. Met een gewaarschuwde Ivan strijken we snel de genua en hijsen we een kleiner voorzeil. Als om vijf uur de zon opkomt, krimpt Aeolus ineen na een laatste ademtocht uit het oosten. We zijn gevorderd tot de kaap Nos Emin. De motor moet aan en pruttelt slaapverwekkend. 

Een uurtje later is het helemaal licht. In de wijde verte is geen schip te zien.

 “Als je nu langs de kust vaart en hier niet bekend bent, dan heb je het niet makkelijk”, zei de Russische zeezeiler Vladimir Troitsky eerder die week. ‘Er zijn geen pilots en kaarten zijn vaak moeilijk leesbaar door het cyrillisch schrift. Maar er wordt aan gewerkt.”

Dat was de zondag voor vertrek, aan het eind van de ochtend. In de kajuit van de Hermes deinden de gerookte worsten hangend aan het plafond. Een van de zeilers sneed een paar flinke plakken worst en kaas en vulde een paar schaaltjes met olijven en reepjes tomaat. Met zijn zeskoppige bemanning was Vladimir met de Hermes onderweg van Sebastopol in de Krim naar Istanbul. Alle opvarenden waren lid van de zeilclub van de Zwarte Zeevloot van de Sovjet-Unie. De mannen kwamen uit Litouwen, Rusland en de Oekraïne. Van nationalistische tegenstellingen was aan boord van de Hermes geen sprake. “We zijn allemaal vrienden van de zee”, klonk het eensgezind. 

Een aantal glazen wodka later was ook de verbroedering van oost en west compleet. 

4. Ivan

Nu was het zomer. De sneeuw was al lang verdwenen en de zware dampen verwaaid. Er reden wat meer westerse auto’s dan afgelopen winter, zo op het oog aangevoerd door Mercedes en Volkswagen. Met de lente was ook het straat- en buitenleven teruggekomen. 

Het doel was om met een zeilboot de Bulgaarse kust ten zuiden van Varna te gaan verkennen. De plannen waren die winter al voorgekookt bij enkele glazen drank in het zeilerscafé. Varna was de woonplaats en thuishaven van Ivan Grekov. Als je op donderdagavond het vaste groepje zeezeilers in hun kroeg in de Maxim Gorkistraat opzocht, hoorde je al snel zijn naam vallen. De 31-jarige Grekov was in Bulgarije beroemd onder zeilers. In het café werden zijn kwaliteiten breed uitgemeten. Zo was hij op zijn vijftiende al nationaal kampioen in de kwarttonner-klasse. Hij nam deel aan internationale regatta’s, runde een zeilschool, een charterbedrijf en een agentuur. En of dat niet genoeg was, probeerde hij met het syndicaat Bulgarian Hope twee miljoen dollar bij elkaar te krijgen voor deelname aan de Whitbread 1993-’94, een vermaarde zeilrace rond de wereld. Kortom: dit was ‘the guy to meet’.

Ivan – open gezicht, zongebleekte haardos – was al snel warmgelopen voor het idee. Zoals veel van zijn landgenoten omarmde hij elke kans die hij zag om zaken te kunnen doen en – in zijn geval – het toerisme en de watersport te bevorderen. Er werden die winter tal van zakelijke voorstellen gedaan. Dat werd vrijwel altijd afgesloten met de opmerking: ‘Als je me helpt, krijg jij natuurlijk ook een percentage.’ 

Voor Ivan was een reis langs de kust een prima gelegenheid om de banden met zijn zakelijke partners aan te halen en nieuwe markten te verkennen. “Neem contact met me op tegen de tijd dat je terugkomt, ok?”, zei hij enkele dagen na de kennismaking. “Dan regel ik een boot en gaan we op pad. Het is voor mij ook goed om straks te zien hoe de andere havens er bij liggen.”

Ivan is dus de komende dagen onze schipper, gids en metgezel. Zijn vriendin Maria en z’n vriend Svetoslav gaan ook mee. We vertrekken aan het eind van een warme avond. Eerder op de dag hebben we een aantal dozen en tassen proviand aan boord gebracht, voor de eerste paar dagen. Totale kosten? Een paar dollar.