3. ‘Zegeningen’

Vladimir had niets teveel gezegd. De ontvangst die winter was warm en hartelijk geweest. De redactie had onderdak geregeld bij een vriendelijk gastgezin, een paar straten verderop. Als de stroom op de redactie uitviel, kwamen de flessen op tafel. “Het is veel erger geweest”, klonk het al snel. En met een grijns: “Dit zijn de zegeningen van het kapitalisme.” 

Maar er waren ook cynischer reacties. “Dezelfde boeven hebben het weer voor het zeggen”, hoorde je die winter vaak. “De nomenklatura (de elite van de communistische partij, red.) bepaalt alles. Net als vroeger, toen iedereen ‘gelijk’ was.”

Ook leek het alsof zo’n beetje iedereen vanwege de slechte economische situatie een eigen bedrijfje was begonnen, of op het punt stond te beginnen. Zo wemelde het in de kelderruimtes onder de woonblokken in Varna van de souvernirwinkeltjes, kapsalons en tabakverkopers. Een beter bestaan werd letterlijk van onderaf opgebouwd. 

Als eerste buitenlandse keten had McDonalds een vestiging in Varna geopend. De eerste dagen van de opening stond er voor de deur een lange rij, alsof er niets was veranderd. Maar de schaarste van vroeger was ingeruild voor het recht op vrije keuze. Ouders met kinderen, tieners, opa’s en oma’s; iedereen wilde er minstens een keer zijn geweest. Vooral vanwege de symboliek, eerder dan vanwege de kwaliteit van het voedsel, Na Levis en Coca Cola was dit opnieuw een westers icoon dat kon worden omarmd. Het waren vrije hamburgers.

2. Drank en kaarslicht

Behalve met kou en duisternis kampte heel Bulgarije die winter met grote problemen in de stroomvoorziening. De vier zwaar verouderde kerncentrales in Kozloduy, in 1974 en ’75 en in 1981 en ’82 in productie genomen, lagen stil voor onderhoud. De overheid was noodgedwongen overgegaan op een landelijke rantsoenering. In de praktijk kwam dit neer op drie uur stroom, een uur zonder, weer drie uur stroom en zo maar door. Maar niemand keek er raar van op als er opeens een black-out tussendoor kwam. Of als een reguliere onderbreking twee keer zolang duurde. 

In 1991 was Bulgarije volgens het Internationaal Atoom en Energie Agentschap (IAEA) voor 34 procent afhankelijk van kernenergie. Een team van 32 experts uit 21 verschillende landen was een jaar eerder begonnen met een stevig onderzoek naar de veiligheid van in totaal tien oudere kerncentrales in het voormalig Tsjechoslowakije, de Russische Federatie èn Bulgarije. Deze centrales van het zogeheten WWER-440/230 type kwamen allemaal van dezelfde tekentafel in de Sovjet-Unie.

Al snel werd het de onderzoekers van de internationale atoomwaakhond duidelijk dat er van alles aan de centrales mankeerde. De situatie in Bulgarije was dermate ernstig dat de hoogste baas van de IAEA in juni 1991 er bij de premier op aandrong om meteen een aantal noodzakelijke maatregelen te nemen. Zo waren de centrales in Kozloduy onvoldoende bestand tegen aardbevingen. Dat bleek al in 1977 tijdens een zware beving in de Roemeense regio Vrancea, aan de oostkant van de Karpaten. Daarbij raakten de centrales licht beschadigd. Die beving had een kracht van 7.2 op de schaal van Richter en was voelbaar in de hele Balkan. 

Er vielen in Roemenië bijna 1600 doden en ruim 11.000 gewonden (1). Ook in Bulgarije waren er enkele slachtoffers. Bij daaropvolgende bevingen in dezelfde regio in 1986 (kracht 6.9) en 1990 (6.7) werden de centrales opnieuw geraakt. Het aantal slachtoffers en de schade waren beide keren aanzienlijk minder, maar al met al bleken de kerncentrales allesbehalve aardbevingsbestendig. 

Het uiteindelijke rapport van de IAEA zou in in mei 1992 worden gepubliceerd (2). De bevindingen logen er niet om: er werden bij dit type centrale in totaal zo’n honderd veiligheidsproblemen vastgesteld. Daarvan golden er zo’n zestig als ‘zeer serieus’ die om ‘onmiddellijke aandacht’ vroegen. Uiteindelijk zouden de centrales stil worden gelegd.

Tijdens die winter van ’92 waren de kaarsen niet aan te slepen. Net zo min als het stookhout, de kolen en de briketten voor de nog veel gebruikte tegelkachels. De vaak windstille dagen werden gerookt en gekleurd door de kenmerkende geur van hout- en kolenstook. Daar kwamen de uitlaatgassen van de vele krakkemikkige Lada’s, Skoda’s en Trabantjes nog eens bij. De vettige rook sloeg neer op alles en iedereen en kleefde aan je als plaksneeuw aan houten klompen. 

Maar de mensen maakten er het beste van. Als de stroom uitviel, gingen in de winkels de deuren dicht en in de kantoren de onderste bureauladen open. Er kwam salade, brood en worst op tafel. En drank, vooral wodka en rakija, de nationale drank gestookt van vruchten, vaak clandestien. Het alcoholpercentage bedroeg zo’n 70 tot 80 procent. Als de dop van de fles ging, zweefde er een verontrustende spiritusdamp je glas in. 

Mijn basiskamp tijdens dat eerste bezoek was de redactie van Morski Svyat in Varna, een vakblad voor de maritieme sector. De makers probeerden tegen de verdrukking, papierschaarste en andere tekorten in elke maand een nummer uit te brengen. Het contact was gelegd dankzij Vladimir, een naar Nederland uitgeweken Bulgaarse kunstenaar uit Varna en een goede kennis uit het café. Hij was bevriend met de hoofdredacteur. “Als je meer wilt weten over Bulgarije en over de Zwarte Zee kun je het beste daar beginnen”, had hij gezegd. “Het zijn prima mensen en ze zullen je graag verder helpen.”