Petru troonde me even later mee naar het Casa Republicii. Ceaușescu beschouwde dit ‘Huis van de Republiek’ als de kroon op zijn werk. Het paleis was zijn idee en werd op een heuvel gebouwd aan het eind van de 3,5 kilometer lange Bulevardul Victoriei Socialismului, de Boulevard van de Socialistische Overwinning.
De bouw was begonnen in 1982 en had twee jaar later klaar moeten zijn, maar het was nu nog steeds niet voltooid. Om de bouw mogelijk te maken, liet Ceaușescu begin jaren tachtig een volledige wijk slopen, inclusief de historische kerken, kloosters en villa’s. Zo’n zeven vierkante kilometer historisch stadshart ging tegen de vlakte, 40.000 mensen moesten gedwongen verhuizen.
Ik staarde naar het volkspaleis. Het gebouw was 84 meter hoog en had een vloeroppervlak van 36,5 hectare, ruim vijftig voetbalvelden. Alleen al vanwege de afmetingen was het monstrum symbolisch voor de megalomanie van de dictator. Om de kosten zo laag mogelijk te houden, werd de bouw uitgevoerd door dwangarbeiders en soldaten. De kosten waren in 1989 geschat op 1,75 miljard dollar. Er werkten tussen de 20.000 en 100.000 mensen aan het project, in drie ploegen, bestaande uit 5.000 soldaten van het Volksleger en enorme aantallen dwangarbeiders. Onduidelijk is hoeveel mensen daarbij stierven. Volgens officiële gegevens waren dat er 27. Maar volgens arbeiders waren dat er meer, volgens sommigen zelfs veel meer, tot wel duizenden slachtoffers.
Ik vroeg Petru er naar. Hij haalde zijn schouders op. Volgens hem had de bouw aan zo’n zestig arbeiders het leven gekost.
Het paleis keek neer op de 120 meter brede boulevard die uitkwam op Piata Unririi, het Plein van de Eenheid. De weg was omzoomd door hoge gebouwen waarin Ceaușescu woningen voor onder meer zijn ambtenaren en leden van de Securitate had bedacht. Het paleis was vooral bedoeld als woon- en kantoorruimte voor hem en zijn familie. Ook moest het onderdak bieden aan het Centraal Comité en de administratieve onderdelen van de communistische partij en van de staat.
Mijn metgezel toonde de onderaardse ingang waar de boulevard op uitkwam. Er waren zes ondergrondse verdiepingen in het paleis, waaronder een atoombunker. “Zo kon Ceaușescu altijd veilig aankomen en hoefde hij niet op straat uit te stappen. Wat vind je ervan?” wees hij naar het paleis.
Ik proefde enige trots en hield het voorzichtig op ‘indrukwekkend’. “Het is toch een prachtige samensmelting van allerlei stijlen?”, reageerde Petru. “Het is een hoogtepunt in de Roemeense architectuur.” Hij wees opnieuw, dit keer naar een hoek van het gebouw waarachter volgens hem zijn kantoor lag. Petru werkte in overheidsdienst. Maar wat hij precies deed, bleef vaag.
Dat zijn salaris ontoereikend was, merkte ik even later terwijl we een stukje rond het paleis liepen. Het was nog steeds bitter koud, zelfs voor Roemeense begrippen. Petru schutterde: “Kan ik je vertrouwen?”
“Ja natuurlijk. Wat is er?”
“Ik wil morgen mijn dochtertje opzoeken uit mijn eerste huwelijk maar dat mag Ileana niet weten. Als ze dat hoort, krijg ik grote problemen. Ik heb alleen geen geld voor de reis. Kun jij me iets lenen? Je komt op de terugreis immers weer langs? Dan heb ik mijn salaris gekregen en zal ik je terug betalen.”
Het hoge woord was eruit. Ik kon hem moeilijk weigeren, temeer omdat hij bleef herhalen dat hij me zou terugbetalen. We gingen met de metro naar Hotel Intercontinental aan de Boulevard Nicolae Bãlcescu en stapten uit bij de halte Universitate. Een jaar geleden had hier nog een bord gestaan: ‘Voor de jongeren die zich opofferden en het land hebben gered’. Er hadden kersttakken gelegen en er waren kaarsen gebrand op de plaatsen waar de barricades hadden gestaan. Maar daar was nu niets meer van terug te vinden. Net zo min als van het opgetogen elan van die eerste dagen van de revolutie. Dat leek stevig de kop ingedrukt door de nieuwe machthebbers onder leiding van president Ion Iliescu, zelf een oud-minister onder Ceaușescu en lid van de communistische partij.
Weliswaar was hij in 1990 democratisch tot president verkozen, zijn beleid riep veel weerstand op onder de bevolking. Vorig jaar, op 13 mei, had de oproerpolitie hier op Piata Universitatea een demonstratie hardhandig beëindigd. Dat leidde tot ernstige onlusten waarna gezagsgetrouwe mijnwerkers uit de omgeving van Bukarest werden opgeroepen om een einde te komen maken aan de demonstraties. Honderden mijnwerkers gaven gehoor en grepen keihard in. In de dagen daarop vielen tientallen slachtoffers. Maar de mijnwerkers hadden niet alleen op de demonstranten ingeslagen. Ook het vertrouwen in de nieuwe politiek had mede door hun toedoen flinke klappen gekregen.
Hoeveel doden de omwenteling in Roemenië uiteindelijk in totaal heeft gekost, is nooit echt duidelijk geworden. Ook de precieze rol van het leger en die van de staatsveiligheidsdienst is nooit opgehelderd. Tijdens de decemberdagen in ’89 gingen er de eerste paar dagen geruchten dat er in Timișoara duizenden slachtoffers waren. Later werd dit bijgesteld tot enkele honderden. In totaal zouden er tussen de 1000 en 1400 doden zijn gevallen.
*
In Hotel Intercontinental wisselde ik 100 mark. Petru was behoorlijk teleurgesteld dat er geen harde valuta werd uitgekeerd. Hij mopperde, maar weer buiten nam hij een dikke stapel lev dankbaar in ontvangst. Zijn ‘little problem’ leek opgelost.
Onze vriendschap kon niet meer stuk.
