7. Het volkspaleis

Petru troonde me even later mee naar het Casa Republicii. Ceaușescu beschouwde dit ‘Huis van de Republiek’ als de kroon op zijn werk. Het paleis was zijn idee en werd op een heuvel gebouwd aan het eind van de 3,5 kilometer lange Bulevardul Victoriei Socialismului, de Boulevard van de Socialistische Overwinning.

De bouw was begonnen in 1982 en had twee jaar later klaar moeten zijn, maar het was nu nog steeds niet voltooid. Om de bouw mogelijk te maken, liet Ceaușescu begin jaren tachtig een volledige wijk slopen, inclusief de historische kerken, kloosters en villa’s. Zo’n zeven vierkante kilometer historisch stadshart ging tegen de vlakte, 40.000 mensen moesten gedwongen verhuizen. 

Ik staarde naar het volkspaleis. Het gebouw was 84 meter hoog en had een vloeroppervlak van 36,5 hectare, ruim vijftig voetbalvelden. Alleen al vanwege de afmetingen was het monstrum symbolisch voor de megalomanie van de dictator. Om de kosten zo laag mogelijk te houden, werd de bouw uitgevoerd door dwangarbeiders en soldaten. De kosten waren in 1989 geschat op 1,75 miljard dollar. Er werkten tussen de 20.000 en 100.000 mensen aan het project, in drie ploegen, bestaande uit 5.000 soldaten van het Volksleger en enorme aantallen dwangarbeiders. Onduidelijk is hoeveel mensen daarbij stierven. Volgens officiële gegevens waren dat er 27. Maar volgens arbeiders waren dat er meer, volgens sommigen zelfs veel meer, tot wel duizenden slachtoffers.

Ik vroeg Petru er naar. Hij haalde zijn schouders op. Volgens hem had de bouw aan zo’n zestig arbeiders het leven gekost. 

Het paleis keek neer op de 120 meter brede boulevard die uitkwam op Piata Unririi, het Plein van de Eenheid. De weg was omzoomd door hoge gebouwen waarin Ceaușescu woningen voor onder meer zijn ambtenaren en leden van de Securitate had bedacht. Het paleis was vooral bedoeld als woon- en kantoorruimte voor hem en zijn familie. Ook moest het onderdak bieden aan het Centraal Comité en de administratieve onderdelen van de communistische partij en van de staat. 

Mijn metgezel toonde de onderaardse ingang waar de boulevard op uitkwam. Er waren zes ondergrondse verdiepingen in het paleis, waaronder een atoombunker. “Zo kon Ceaușescu altijd veilig aankomen en hoefde hij niet op straat uit te stappen. Wat vind je ervan?” wees hij naar het paleis. 

Ik proefde enige trots en hield het voorzichtig op ‘indrukwekkend’. “Het is toch een prachtige samensmelting van allerlei stijlen?”, reageerde Petru. “Het is een hoogtepunt in de Roemeense architectuur.” Hij wees opnieuw, dit keer naar een hoek van het gebouw waarachter volgens hem zijn kantoor lag. Petru werkte in overheidsdienst. Maar wat hij precies deed, bleef vaag. 

Dat zijn salaris ontoereikend was, merkte ik even later terwijl we een stukje rond het paleis liepen. Het was nog steeds bitter koud, zelfs voor Roemeense begrippen. Petru schutterde: “Kan ik je vertrouwen?”

“Ja natuurlijk. Wat is er?”

“Ik wil morgen mijn dochtertje opzoeken uit mijn eerste huwelijk maar dat mag Ileana niet weten. Als ze dat hoort, krijg ik grote problemen. Ik heb alleen geen geld voor de reis. Kun jij me iets lenen? Je komt op de terugreis immers weer langs? Dan heb ik mijn salaris gekregen en zal ik je terug betalen.”

Het hoge woord was eruit. Ik kon hem moeilijk weigeren, temeer omdat hij bleef herhalen dat hij me zou terugbetalen. We gingen met de metro naar Hotel Intercontinental aan de Boulevard Nicolae Bãlcescu en stapten uit bij de halte Universitate. Een jaar geleden had hier nog een bord gestaan: ‘Voor de jongeren die zich opofferden en het land hebben gered’. Er hadden kersttakken gelegen en er waren kaarsen gebrand op de plaatsen waar de barricades hadden gestaan. Maar daar was nu niets meer van terug te vinden. Net zo min als van het opgetogen elan van die eerste dagen van de revolutie. Dat leek stevig de kop ingedrukt door de nieuwe machthebbers onder leiding van president Ion Iliescu, zelf een oud-minister onder Ceaușescu en lid van de communistische partij. 

Weliswaar was hij in 1990 democratisch tot president verkozen, zijn beleid riep veel weerstand op onder de bevolking. Vorig jaar, op 13 mei, had de oproerpolitie hier op Piata Universitatea een demonstratie hardhandig beëindigd. Dat leidde tot ernstige onlusten waarna gezagsgetrouwe mijnwerkers uit de omgeving van Bukarest werden opgeroepen om een einde te komen maken aan de demonstraties. Honderden mijnwerkers gaven gehoor en grepen keihard in. In de dagen daarop vielen tientallen slachtoffers. Maar de mijnwerkers hadden niet alleen op de demonstranten ingeslagen. Ook het vertrouwen in de nieuwe politiek had mede door hun toedoen flinke klappen gekregen. 

Hoeveel doden de omwenteling in Roemenië uiteindelijk in totaal heeft gekost, is nooit echt duidelijk geworden. Ook de precieze rol van het leger en die van de staatsveiligheidsdienst is nooit opgehelderd. Tijdens de decemberdagen in ’89 gingen er de eerste paar dagen geruchten dat er in Timișoara duizenden slachtoffers waren. Later werd dit bijgesteld tot enkele honderden. In totaal zouden er tussen de 1000 en 1400 doden zijn gevallen.

*

In Hotel Intercontinental wisselde ik 100 mark. Petru was behoorlijk teleurgesteld dat er geen harde valuta werd uitgekeerd. Hij mopperde, maar weer buiten nam hij een dikke stapel lev dankbaar in ontvangst. Zijn ‘little problem’ leek opgelost.

Onze vriendschap kon niet meer stuk.

6. Rondleiding

We liepen op straat. In het centrum patrouilleerde een opvallende, gloednieuwe Chevrolet, zo weggereden uit een Amerikaanse tv-serie. “Een geschenk van de Amerikaanse overheid aan onze politie. Zij hebben twee van zulke wagens gekregen. Hopelijk wil Amerika meer hulp geven. We need it.” 

Petru leek van alles op de hoogte. Hij wilde me zijn stad laten zien en leek nu een stuk vrolijker. Bij het verlaten van een metro-uitgang in de buurt van de universiteit wees hij op kogelgaten. De muurtjes van de entree langs de trappen waren in de decemberdagen van ’89 gebruikt als borstwering. Wild maaiend met een denkbeeldig machinegeweer liep mijn gids voor me uit, dook af en toe weg om ratelend zijn rol in de omwenteling te onderstrepen. Geen misverstanden: hij had meegevochten aan de kant van het volk. 

De doden die hier waren gevallen, werden ruim een jaar na dato nog steeds geëerd met tuiltjes bloemen en dunne brandende kaarsen. Terwijl aan een kant van het universiteitsgebouw een oude vrouw een verse muurkrant probeerde op te plakken, leegde om de hoek en buiten haar beeld een man onverschillig zijn blaas tegen de donkere muur. Petru zag het niet. Hij was doorgelopen en schamperde over de wrakke bussen en de kapotte telefooncellen. “Hier, kijk mijn vriend. Dit is het Roemenië van vandaag,” zei hij hoofdschuddend.

Op het Universiteitsplein stond ik in gedachten even stil bij de balkonscène van Ceaușescu, op die gedenkwaardige 21 december 1989. Een paar dagen daarvoor was in Timișoara het verzet uitgebroken toen de Securitate de kritische predikant László Tőkés wilde oppakken. Het verzet mondde de dagen daarop uit in veldslagen met het leger en de staatsveiligheidsdienst, waarbij tanks werden ingezet tegen de bevolking en met scherp werd geschoten. Maar de opstand werd zo massaal dat op 20 december het leger zich uit Timișoara moest terugtrekken. 

Berichten over wat er in Timișoara gebeurde, vonden die week maar langzaam hun weg naar de hoofdstad. Daar dacht de Geliefde Grote Leider op 21 december vanaf het balkon van het gebouw van het Centraal Comité duidelijk te maken dat hij nog steeds de baas was. Maar in plaats van het gebruikelijke plichtmatige applaus en geregisseerde gejuich klonk er dit keer gejoel dat door steeds meer mensen werd overgenomen. De Ceaușescu’s en hun apparatsjiks keken vanaf het balkon vol ongeloof en afgrijzen toe. 

Een dag later bestormden duizenden betogers datzelfde hoofdkantoor van het Centraal Comité. Het leger hield zich afzijdig. En nog een dag later probeerden de Ceaușescu’s per helikopter vergeefs te vluchten, waarbij ze werden gearresteerd. 

Op 25 december 1989 werden Nicolae en Elena Ceaușescu ter dood veroordeeld en nog diezelfde dag door een vuurpeloton geëxecuteerd.

5. Protestanten

In de woonkamer stond een enorm tweepersoonsbed. Het monstrum vulde de hele kamer en liet alleen aan het voeteneinde een smal paadje over. Tegenover het bed, aan de andere kant van het paadje, stond een tafel met daarop een televisie. Daarnaast stond een wrakke stoel.

Een fauteuiltje in de hoek van de kamer en een wandkast naast het bed vormde de rest van het rommelige decor. Afgetekend tegen een oranje sprei op het bed lag een kind; een jongen van een jaar of acht die met slaapdronken ogen eerder bang dan verlegen opkeek. Hij zag bleek en hoestte met een diep en rauw geluid.

Petru verontschuldigde zich voor alles wat hij maar kon bedenken: het kleine huis, de rommel, het gebrek aan luxe. Hij nam gedienstig mijn jas aan en hing hem aan een overvolle kapstok naast de voordeur, onderwijl druk kwetterend tegen een kordaat uitgevallen vrouw bij wie tegen haar zin vermoeide trekken in het gezicht waren gegraveerd. Ze stelde zich voor als Ileana.

Petru deed opgewonden zijn verhaal. Ileana luisterde toe, druk bezig met het opruimen van rondslingerende kleding en het wegvegen van onzichtbaar stof. Ze plofte op bed toen Petru het kennelijk had over ‘Nederland’ en sloeg haar hand voor haar mond. De jongen was langzaam opgekrabbeld en zat nu recht op. 

Er ging een deur open aan de andere kant van het bed. Een tweede vrouw kwam binnen, tenger als Petru en het kind. Ze liet zich in de stoel aan het voeteneinde vallen en hoorde het gesprek tussen Elena en Petru aan. Vorsend nam ze me op, met doordringende ogen. Petru gebaarde druk van de nieuwkomer naar mij en terug: Spreek jij toch met hem! 

De vrouw onderwierp me aan een kort kruisverhoor in vrijwel accentloos Nederlands. “Kom je echt uit Nederland? Waar vandaan dan? Wat doe je daar? Waarom ben je hier? Waar ga je naar toe? Wat ga je daar doen? Waarom?”

Terwijl mijn verbazing week, probeerde ik zo goed mogelijk antwoord te geven. Petru onderbrak het vraag- en antwoordspel regelmatig en probeerde uit te leggen dat de vrouw jarenlang in Nederland had gewoond. Hij wisselde veelbetekenende blikken met Ileana, die plotseling ingreep en met een paar luide zinnen het gesprek onderbrak. De andere vrouw vluchtte in zichzelf pratend naar de keuken.

Er hing een nerveuze sfeer. De jongen op het bed draaide zich op zijn zij. Hij leek niet gewend aan een crisis als deze, al sliep en woonde hij sinds zijn geboorte tussen de volwassenen. Ileana maande Petru om mij in het Engels uit te leggen wie de tweede vrouw was. “Het is Ileana’s nicht, Puka,” fluisterde hij met een half oog naar de keuken. “Ze is gek. Heel erg gek. Ze is jaren geleden naar Holland gevlucht. Ze had daar een huis, werk. Alles. Nu is ze plotseling terug gekomen en heeft ze haar man en twee kinderen in Holland achtergelaten.” Hij schudde meewarig zijn hoofd. “Ze is echt heel erg gek.”

In de keuken werd een lucifer afgestreken en diep geïnhaleerd. 

In de kamer bleef het even stil. Petru probeerde de sfeer te redden. “Are you hungry, my friend? Maybe you want to sleep a little, yes? You can sleep in the bed of Puka. We clean for you.”

Ik had geen slaap. Maar van de badkamer maakte ik graag gebruik. Ik waste me zo goed en zo kwaad bij een gescheurde wasbak waar een dun straaltje lauw water uit de kraan kwam. Roestige leidingen langs een bladderende muur leken elk een eigen leven en bestemming te hebben. 

Ik wist nog steeds niet waarom ik zo’n geschenk uit de hemel was en wat het ‘kleine probleem’ betekende. Verfrist kwam ik terug in de kamer. Petru was druk bezig geweest om een maaltijd te organiseren. “Je moet eten, ja?” was een retorische vraag, een uitnodiging die ik zonder te beledigen onmogelijk af kon slaan. 

Terwijl Petru druk heen en weer liep en net deed alsof hij veel bijdroeg aan het tot stand komen van de maaltijd, deed Ileana in de keuken het eigenlijke werk. Puka was inmiddels teruggekeerd in de woonkamer en nam me stilzwijgend op. Nerveus pakte ze een nieuwe sigaret, rolde die tussen haar duim en wijsvinger, aarzelde en stak toen op. “Ik heb veel problemen in Nederland gehad. Er zijn hele erge dingen met me gebeurd. Weet je door wie?”

 Ze pauzeerde. Terwijl haar donkere ogen het ene moment fel opvlamden, doofden ze even snel daarna weer uit. “Door mannen. En door de protestanten. Ben jij een protestant?” 

Nerveus streek ze haar lange haar uit haar gezicht. 

Nog voordat ik antwoord kon geven of haar opmerkingen kon plaatsen, dook Petru op vanuit de keuken. Het leek alsof hij onraad rook. Puka kroop weer in haar schulp. Ze mompelde zacht voor zich uit, nog steeds in het Nederlands: “Ja… ja… Protestanten.” Om daarna giechelend een trek van haar sigaret te nemen. Al die tijd keek ze zoekend de kamer rond, haar ogen richtend op onzichtbare punten om me dan weer plotseling doordringend aan te kijken. Uit niets viel af te leiden wat haar volgende stap zou zijn. 

Petru was daarentegen duidelijk in zijn bedoelingen. Hij probeerde mij op m’n gemak te stellen. Was meelevend, – of ik echt niet wilde uitrusten? – hoezeer ik hem ook verzekerde dat dit niet nodig was. Hij leek te worstelen met de indruk die hij wilde hij maken; waarbij omgeving, interieur, familieleden, misschien alleen al het feit dat hij Roemeen was, hem in zijn ogen parten speelde tegenover die buitenlandse vreemdeling, die hij zo hard nodig had. 

Ik kon alleen maar raden naar de persoonlijkheidsstructuur die daaraan ten grondslag lag en die moest omgaan met de storm van tekortkomingen die hij voelde en mogelijkheden die hij zag, zonder direct te weten hoe dit voordeel te benutten. Zijn verontschuldigingen voor de ‘schamele maaltijd’ die op tafel kwam, waren ronduit pijnlijk. Ik had de meest comfortabele stoel gekregen, meteen al bij binnenkomst. Nu werd er speciaal een tafeltje voor me neergezet dat apart werd gedekt. Ik begon me opgelaten te voelen onder alle gastvrijheid, helemaal toen ik de hoeveelheden gebakken aardappelen en vlees zag die ik kreeg. 

Petru en het kind aten ook. Ileana niet. Zij bezwoer dat zij geen honger had. Maar ik durfde er heel wat onder te verwedden dat zij het eten uit haar eigen mond spaarde.

En Petru zich maar verontschuldigen.

4. Godsgeschenk

Ik weet niet meer wanneer de man was binnengekomen. Hij stond opeens naast m’n tafeltje, mee geslopen met een van mijn duistere gedachten. Hij taxeerde me, en nam de situatie in zich op. In gebrekkig Engels vroeg hij of hij mocht gaan zitten. Zijn houding was tweeslachtig. Tegenover mij gedroeg hij zich onderdanig, op het serviele af. Zijn bestelling daarentegen blafte hij richting bar.

Mijn tafelgenoot was mager. Zijn gemiddelde lengte in aanmerking genomen, vertoonde hij tekenen van ondervoeding en op z’n minst een chronisch vitaminegebrek. Hij leek een jaar of veertig, vijfenveertig. In werkelijkheid was hij vijfendertig, bleek later. 

Met een bestudeerd gebaar legde hij zijn muts voor zich op tafel. Zijn vingers streken langs het grijze bont, pauzeerden even en namen opnieuw een aanloop naar een gesprek. Het was als een aarzelende hordeloper die veel grotere hindernissen dan alleen de taalbarrière voor zich zag. Stil roerde hij zijn koffie en tikte daarna met zijn lepeltje op de rand van het kopje. Het klonk als een startschot.

“Het is koud he? Winters in Roemenië zijn verschrikkelijk.Veel te koud.” Ik lachte een beetje en zei dat het toch wel mee viel. De Roemeen nam een slok en gebruikte de pauze om z’n volgende openingszet te bedenken.

“Waar kom je vandaan?”

“Uit Nederland. Ik ben op doorreis naar Bulgarije.”

Het koffiekopje belandde met een klap op tafel. De Roemeen veerde op. “Je komt uit Nederland? Werkelijk waar? Oh, mister! Echt? Uit Holland? Dit is een mooie dag! Oh, thank god!

Hij hief herhaaldelijk zijn handen ten hemel, de heer dankend en de dag prijzend. Uiteindelijk leunde hij na een diepe zucht met een ongelovige blik in zijn ogen achterover. Zijn uitbundige reactie veroorzaakte opschudding. Andere bezoekers keken argwanend toe hoe hun landgenoot zich opwond terwijl hij met een westerling sprak. Petru, zo stelde hij zich voor, begreep weer waar hij was. Hij taxeerde de schade van zijn uitbarsting. Kennelijk viel die mee. Op gedempte toon ging hij verder. “Mister, wat ben ik blij dat ik je heb ontmoet. Kom je echt uit Nederland? Luister. Je moet me helpen. Please. It’s only a little problem.”

Ik wilde beleefd en vriendelijk blijven maar dat kostte moeite. Dit ‘godsgeschenk’ was die dag al té lang geconfronteerd met mensen die van alles wilden: conducteurs die geld vroegen, soldaten die sigaretten bietsten, zwart geldwisselaars, kruiers en taxichauffeurs met hun onophoudelijk gevraag. Ik was moe en had er meer dan genoeg van. 

En nu zat die magere Roemeen mij hier verwachtingsvol aan te kijken. Terwijl ik was gewaarschuwd. Ik had net ‘Uitgestelde bevrijding’ gelezen, van prof. dr. Zdenek Radslav Dittrich, de vader van D66-politicus Boris Dittrich. De auteur was Tsjech van geboorte, in 1948 naar Nederland gevlucht en tot 1 oktober 1987 hoogleraar Oost-Europese geschiedenis aan de rijksuniversiteit in Utrecht. 

Dittrich zette onder meer uiteen hoe de bevolking in Oostelijk Europa in de voorbije eeuwen ‘geestelijk werd geknecht’ zoals hij het noemt, en concludeert: ‘Het communisme in zijn hoedanigheid van seculiere religie knoopte aan bij de ergste uitwassen van de contrareformatie’. Dittrich wijst op de sociaal-psychologische schade die daarbij is opgelopen. Schade die zich uit door: ‘Huichelachtigheid en cynisch conformisme, double think en dubbele moraal, torenhoge taboes met name op seksueel gebied en sadomasochistische deformaties in de persoonlijkheidsstructuur’.

Vooral van dat sadomasochistische deformaties in de persoonlijkheidsstructuur. was ik even stil geworden. Wat stond me allemaal niet te wachten bij mijn eerste kennismaking met Oost-Europa? 

Petru hing intussen aan mijn lippen en ik wist dat hij niet los zou laten voor ik had ingestemd. Ik was bang dat zijn ‘kleine probleempje’ geldgebrek zou zijn en verzoende me al half en half met het betalen voor een maaltijd. Hij moet gemerkt hebben dat ik aarzelde en begon gehaast en stamelend aan te dringen. “Really, It is a little problem. Please, ga even met mij mee naar huis. Only five minutes from here, my place is. Duurt maar eventjes. Please mister?”

Het vooruitzicht om met Petru mee te gaan, had iets aantrekkelijks. De laatste keer dat ik had gekeken, zou het nog zeker vier uur duren voor er een trein naar Bulgarije zou vertrekken. Het zou een verademing zijn om even het station te kunnen ontvluchten. Bovendien was ik nieuwsgierig naar Petrus’ huis en zijn verhaal. Het was een te toevallige kans om voorbij te laten gaan. Ik nam een besluit. “Goed. Ik ga met je mee. Maar ik wil wel eerst kijken hoe laat de treinen vertrekken. Ik moet hier zo snel mogelijk vandaan.”

Het klonk een beetje kortaf. Om Petru te ontmoedigen. Om hem vooral niet het idee te geven dat er een vette Westerse vis aan de haak was geslagen. Gedienstig hielp hij met het ophijsen van de rugzak terwijl hij zich vol bewondering afvroeg – al dan niet gemeend – hoe ik toch dat gewicht kon tillen. 

Met snelle driftige passen beende hij even later door de stationshal en slalomde nerveus tussen reizigers door naar het vertrekbord. Er zouden nog uren verstrijken voordat er weer een trein zou rijden. 

*

Bij de uitgang van het station snauwde Petru toeschietende taxichauffeurs naar hun wachtende auto’s terug. Tussen de walmende Trabantjes stormde een grommende tankwagen op ons af, met een neus gebouwd om het op te nemen tegen alles wat zijn weg maar durfde te kruisen. ”Deze kant op, deze kant op. Pas op, pas op,” waarschuwde hij steeds voor het aansnellende verkeer. Het station en de gebouwen rondom waren geblakerd door de uitlaatgassen. Er hing een benauwende walm van diesel vermengd met de onmiskenbare lucht van bruinkoolgestookte kachels.

De woning bleek inderdaad niet ver. Petru hield stil bij een verveloze voordeur die een duister halletje verborg. Hij maakte zich bij voorbaat vrolijk over de reactie van zijn familie. We stapten in een door een flets peertje verlichte lift, die angstig en waarschuwend kraakte toen we binnen traden. Er was nauwelijks plaats voor twee personen. Met de rugzak tussen ons in werden we langzaam naar de zesde etage getakeld. Petru probeerde intussen hakkelend en verward wat inzicht te geven in zijn familieverhoudingen. Ik begreep dat er een echtgenote of een vriendin was, een kind en nog een of ander familielid. 

Eenmaal boven gekomen was ik blij de benauwde lift te kunnen verlaten. Petru zocht nerveus naar zijn sleutels, mompelde, zuchtte, en belde toen aan.

3. De kinderen

‘Trrr… trrr… trrr…’ 

De cijfers ratelden over het metershoge bord boven het informatieloket in het station. Er verschenen steeds nieuwe vertrektijden, zonder mededogen met gestrande reizigers. Het leek wel alsof ze zich verheugden in het aangekondigde oponthoud. ‘Trr… trr… Blijf hier… blijf hier…’

 De aankomst- en vertrektijden waren bij benadering, zo stond er voor alle zekerheid bij. Vertragingen werden aangegeven in minuten. Een oponthoud van 270 minuten ratelde spontaan naar een onderbreking van 450 minuten; van 4,5 naar 7,5 uur. ‘Blijf hier…’ 

Ik zat gevangen tussen aankomst en vertrek, een moedeloos makend gat in de tijd. Mijn volgende trein moest uit Moskou komen en me naar Ruse brengen, net over de grens met Bulgarije. Daar zou ik voor de laatste keer overstappen, op de trein naar eindbestemming Varna. 

Dat de Rossiejskieje Zjeleznye Dorogi (RZjD, de Russische spoorwegmaatschappij) mijn reis niet tot topprioriteit had gemaakt, kon ik me nog wel voorstellen. Na het definitief uiteenvallen van de Sovjet Unie nu krap drie maanden geleden, op 8 december, hadden ze daar wel iets anders aan hun hoofd. Maar na zes uur hangen en drentelen tussen het informatiebord en een paar verwarmingsplaten in de hal hield ik het niet meer uit. Al die tijd had ik een bezoek aan een restaurant of café voor me uit geschoven. Ik had even geen zin in bedelpartijen of nieuwe, grove bejegeningen. Maar nu zocht ik met mijn rugzak als enige houvast toevlucht in het bufé, een bruin en sepia kleurige pijpenla met vier formica tafeltjes langs de ene en losse keukenstoelen tegen de andere wand. Binnen werden handeltjes beklonken en wisselden stapeltjes geld van eigenaar. Af en toe vloog er een kind naar binnen of naar buiten met een boodschap, of bedelend om sigaretten of geld. “Please give me a dollar mister? I love you. Please?”

De kinderen vormden een verhaal apart. Ze zwierven de hele dag rond op het station, soms spelend en zingend, dan bedelend of elkaar achterna zittend. Ze droegen afgetrapte schoenen en vieze truien. De meesten van hen hadden sluike ravenzwarte koppies, met vuile vegen onder veel te wijze ogen. Als ze niet door de volwassenen werden weggejaagd, vonden ze ’s avonds een beetje beschutting in de grote wachtruimte op het station; een lokaal met lange houten banken, schaars verlicht, waar honderden mensen soms al dagen wachtten – snurkend, ruziënd of dof voor zich uit starend – op treinen die misschien nooit meer zouden komen. Het voorportaal van de hel moest er ongeveer zo uit zien, inclusief de alles doordringende pislucht en stank van ongewassen lichamen. Voor de zwerfkinderen was er eventueel ook nog plaats onder de grond, tussen de verwarmingsbuizen en in de riolen van de stad. 

Zo erg was het.

2. Kijven

Intussen liep het oponthoud aan de grens verder op. Een conducteur waarschuwde dat het onverwarmde treinstel aan de grens zou achterblijven, inclusief mijn gereserveerde coupé. Hij loodste me het aangrenzende eersteklas treinstel in en wees een andere coupé aan. Zich excuserend opende hij de deur.

Ik begon bijna spijt te krijgen dat ik het vliegtuig niet had gepakt. Maar bij het plannen van de reis had ik al snel besloten dat het de trein moest worden, Ik was nieuwsgierig naar het ‘nieuwe’ centraal Europa. De Muur was nog niet zo lang geleden gevallen, Ceaușescu nog maar pas verjaagd, Joegoslavië viel uiteen; je kon ook nog maar net gewoon rondreizen door de voormalige Oostbloklanden als Hongarije, Roemenië en Bulgarije. Treinreizen leek me de uitgelezen manier om onderweg mensen te spreken en verhalen op te tekenen. Maar reizen met internationale treinen betekende lang niet altijd de grandeur van de Orient-Express, dat was inmiddels wel duidelijk. ‘Treinreizen romantisch? Het is alleen maar koud, koud, koud’, las ik later terug in mijn blocnote; gekrabbeld met verkleumde vingers en nauwelijks te ontcijferen.

De nieuwe ruimte was op een reizigster na leeg. Ze zat tegenover me; tenger, blonde staart en alweer zo’n mager gezicht. Haar holle ogen in de donkere kassen staken af tegen het bleke gelaat, als de zwarte sintels in het vliesdunne laagje sneeuw langs de spoorbaan. Ze groette vriendelijk.

Net nadat ik mij languit over drie zitplaatsen had uitgestrekt om te gaan slapen, kwam er een vrouw binnen. De nieuwe passagier eiste op hoge toon haar zitplaats, en daarmee mijn slaapplaats op. Briesend en kijvend schond ze de gemoedelijke status-quo; het pact dat net in de kleine ruimte was gesloten. Gehuld in haar bontmantel schold ze zich een weg dwars door mijn prille territorium heen, er op hamerend dat dit én eerste klas was, én gereserveerd. 

Terwijl ze haar dure kofferset in het net en de bijpassende beauty-case op mijn bank smeet, offerde mijn stille overbuurvrouw haar slaapplaats op en bood mij de zitplek naast haar aan. Het contrast tussen de twee vrouwen kon haast niet groter. Samen belichaamden zij een tegenstelling die ik later die reis vaker aan zou treffen. In die kleine coupé in een dwars door Roemenië stommelende trein leek het net alsof de Muur niet was omgevallen, maar honderdtachtig graden gedraaid. Mensen werden zo gescheiden in ‘have’ en ‘have-nots’. 

Een vriend in Bulgarije drukte het later zo uit: “De nomenclatura, de KGB en de maffia maken overal de dienst uit. Als je machtige vrienden hebt of veel zwarte handel, zit je goed en draag je een beauty-case of lammy-coat. De rest van de bevolking sjouwt met jouw kartonnen dozen en plastic Woolsworth-tasjes.”

De vrouw haalde er een conducteur bij, een die niets wist van eerdere afspraken. Het kostte vijf D-mark om zijn bezwaren weg te nemen. Ik mocht blijven zitten en de reis naar Bukarest kon verder in de eersteklas. 

1. De grens

Het station van Bukarest ligt er hard bevroren bij. Wachtende treinen – kil en oncomfortabel – staan in de maartse ochtend in spartaanse slagorde opgesteld; de neuzen in het gelid naar het westen. Groezelige, ongeschoren mannen slenteren rond op de perrons. “Need a room mister? Chance money mister?”

Ze praten binnensmonds en terloops in het voorbijgaan, terwijl ze argwanend rondkijken. Alsof de Securitate, de geheime dienst, iedereen nog in de gaten houdt. Dronken invaliden op krukken slepen zich intussen voort. Ze zijn grauw als het verpauperde station en steken schril af bij geüniformeerde groepjes agenten die – in diverse kleuren waakzaam blauw – af en toe in het station opduiken.

Ik was twee dagen eerder vanuit Nederland vertrokken en in Keulen overgestapt op de snelle Donau-Koerier via Wenen naar Budapest. In de Hongaarse hoofdstad was het gedaan met de internationale allure. De reis ging verder met een naamloos treinstel naar Bukarest, Roemenië. Vier grenspassages na het vertrek uit Nederland, en heel wat uren later, hees ik daar op station Gara de Nord vermoeid mijn 25 kilo zware rugzak om en verliet de trein. Ik was voor een aantal artikelen op weg naar Varna aan de Bulgaarse Zwarte Zeekust. Bukarest moest een halte worden; een korte tussenstop zoals Keulen, Wenen en Budapest. 

Maar het laatste deel van de reis naar Roemenië was tegengevallen. In Lőkösháza, het Hongaarse spoorwegstation aan de grens met Roemenië, werd de trein overrompelt door een overmacht aan douane, militie en leger. Roemeense staatsburgers werden bruut en onbeschoft uit de trein gehaald. Enkele reizigers werden afgevoerd naar een houten barak langs de rails en bleven daar achter. Soldaten liepen er in en uit, het geweer op de rug.

De sneeuw langs de rails was smerig van de vele voetstappen van rangeerders en militairen. Buiten vroor het een graad of tien. Tot hier, aan de grens, had ik de onverwarmde, ijskoude coupé gedeeld met een magere jongen van een jaar of twintig. Hij was in Budapest de coupé binnen gestommeld met twee volle grote plastic tassen, een ouderwetse zwart-geruite koffer en een lege blik in zijn ogen. ‘Kauf mit Köpfchen, Woolsworth’ riep een van de plastic tassen op. Een gesprek wilde niet vlotten. De jongen had alleen interesse voor de inhoud van zijn tassen die regelmatig werd gecontroleerd en bijna geliefkoosd. Gehaast at hij een zakje nootjes leeg. 

In Lőkösháza werd hij uit de trein gehaald en verloor ik hem uit het oog.