5. Protestanten

In de woonkamer stond een enorm tweepersoonsbed. Het monstrum vulde de hele kamer en liet alleen aan het voeteneinde een smal paadje over. Tegenover het bed, aan de andere kant van het paadje, stond een tafel met daarop een televisie. Daarnaast stond een wrakke stoel.

Een fauteuiltje in de hoek van de kamer en een wandkast naast het bed vormde de rest van het rommelige decor. Afgetekend tegen een oranje sprei op het bed lag een kind; een jongen van een jaar of acht die met slaapdronken ogen eerder bang dan verlegen opkeek. Hij zag bleek en hoestte met een diep en rauw geluid.

Petru verontschuldigde zich voor alles wat hij maar kon bedenken: het kleine huis, de rommel, het gebrek aan luxe. Hij nam gedienstig mijn jas aan en hing hem aan een overvolle kapstok naast de voordeur, onderwijl druk kwetterend tegen een kordaat uitgevallen vrouw bij wie tegen haar zin vermoeide trekken in het gezicht waren gegraveerd. Ze stelde zich voor als Ileana.

Petru deed opgewonden zijn verhaal. Ileana luisterde toe, druk bezig met het opruimen van rondslingerende kleding en het wegvegen van onzichtbaar stof. Ze plofte op bed toen Petru het kennelijk had over ‘Nederland’ en sloeg haar hand voor haar mond. De jongen was langzaam opgekrabbeld en zat nu recht op. 

Er ging een deur open aan de andere kant van het bed. Een tweede vrouw kwam binnen, tenger als Petru en het kind. Ze liet zich in de stoel aan het voeteneinde vallen en hoorde het gesprek tussen Elena en Petru aan. Vorsend nam ze me op, met doordringende ogen. Petru gebaarde druk van de nieuwkomer naar mij en terug: Spreek jij toch met hem! 

De vrouw onderwierp me aan een kort kruisverhoor in vrijwel accentloos Nederlands. “Kom je echt uit Nederland? Waar vandaan dan? Wat doe je daar? Waarom ben je hier? Waar ga je naar toe? Wat ga je daar doen? Waarom?”

Terwijl mijn verbazing week, probeerde ik zo goed mogelijk antwoord te geven. Petru onderbrak het vraag- en antwoordspel regelmatig en probeerde uit te leggen dat de vrouw jarenlang in Nederland had gewoond. Hij wisselde veelbetekenende blikken met Ileana, die plotseling ingreep en met een paar luide zinnen het gesprek onderbrak. De andere vrouw vluchtte in zichzelf pratend naar de keuken.

Er hing een nerveuze sfeer. De jongen op het bed draaide zich op zijn zij. Hij leek niet gewend aan een crisis als deze, al sliep en woonde hij sinds zijn geboorte tussen de volwassenen. Ileana maande Petru om mij in het Engels uit te leggen wie de tweede vrouw was. “Het is Ileana’s nicht, Puka,” fluisterde hij met een half oog naar de keuken. “Ze is gek. Heel erg gek. Ze is jaren geleden naar Holland gevlucht. Ze had daar een huis, werk. Alles. Nu is ze plotseling terug gekomen en heeft ze haar man en twee kinderen in Holland achtergelaten.” Hij schudde meewarig zijn hoofd. “Ze is echt heel erg gek.”

In de keuken werd een lucifer afgestreken en diep geïnhaleerd. 

In de kamer bleef het even stil. Petru probeerde de sfeer te redden. “Are you hungry, my friend? Maybe you want to sleep a little, yes? You can sleep in the bed of Puka. We clean for you.”

Ik had geen slaap. Maar van de badkamer maakte ik graag gebruik. Ik waste me zo goed en zo kwaad bij een gescheurde wasbak waar een dun straaltje lauw water uit de kraan kwam. Roestige leidingen langs een bladderende muur leken elk een eigen leven en bestemming te hebben. 

Ik wist nog steeds niet waarom ik zo’n geschenk uit de hemel was en wat het ‘kleine probleem’ betekende. Verfrist kwam ik terug in de kamer. Petru was druk bezig geweest om een maaltijd te organiseren. “Je moet eten, ja?” was een retorische vraag, een uitnodiging die ik zonder te beledigen onmogelijk af kon slaan. 

Terwijl Petru druk heen en weer liep en net deed alsof hij veel bijdroeg aan het tot stand komen van de maaltijd, deed Ileana in de keuken het eigenlijke werk. Puka was inmiddels teruggekeerd in de woonkamer en nam me stilzwijgend op. Nerveus pakte ze een nieuwe sigaret, rolde die tussen haar duim en wijsvinger, aarzelde en stak toen op. “Ik heb veel problemen in Nederland gehad. Er zijn hele erge dingen met me gebeurd. Weet je door wie?”

 Ze pauzeerde. Terwijl haar donkere ogen het ene moment fel opvlamden, doofden ze even snel daarna weer uit. “Door mannen. En door de protestanten. Ben jij een protestant?” 

Nerveus streek ze haar lange haar uit haar gezicht. 

Nog voordat ik antwoord kon geven of haar opmerkingen kon plaatsen, dook Petru op vanuit de keuken. Het leek alsof hij onraad rook. Puka kroop weer in haar schulp. Ze mompelde zacht voor zich uit, nog steeds in het Nederlands: “Ja… ja… Protestanten.” Om daarna giechelend een trek van haar sigaret te nemen. Al die tijd keek ze zoekend de kamer rond, haar ogen richtend op onzichtbare punten om me dan weer plotseling doordringend aan te kijken. Uit niets viel af te leiden wat haar volgende stap zou zijn. 

Petru was daarentegen duidelijk in zijn bedoelingen. Hij probeerde mij op m’n gemak te stellen. Was meelevend, – of ik echt niet wilde uitrusten? – hoezeer ik hem ook verzekerde dat dit niet nodig was. Hij leek te worstelen met de indruk die hij wilde hij maken; waarbij omgeving, interieur, familieleden, misschien alleen al het feit dat hij Roemeen was, hem in zijn ogen parten speelde tegenover die buitenlandse vreemdeling, die hij zo hard nodig had. 

Ik kon alleen maar raden naar de persoonlijkheidsstructuur die daaraan ten grondslag lag en die moest omgaan met de storm van tekortkomingen die hij voelde en mogelijkheden die hij zag, zonder direct te weten hoe dit voordeel te benutten. Zijn verontschuldigingen voor de ‘schamele maaltijd’ die op tafel kwam, waren ronduit pijnlijk. Ik had de meest comfortabele stoel gekregen, meteen al bij binnenkomst. Nu werd er speciaal een tafeltje voor me neergezet dat apart werd gedekt. Ik begon me opgelaten te voelen onder alle gastvrijheid, helemaal toen ik de hoeveelheden gebakken aardappelen en vlees zag die ik kreeg. 

Petru en het kind aten ook. Ileana niet. Zij bezwoer dat zij geen honger had. Maar ik durfde er heel wat onder te verwedden dat zij het eten uit haar eigen mond spaarde.

En Petru zich maar verontschuldigen.

4. Godsgeschenk

Ik weet niet meer wanneer de man was binnengekomen. Hij stond opeens naast m’n tafeltje, mee geslopen met een van mijn duistere gedachten. Hij taxeerde me, en nam de situatie in zich op. In gebrekkig Engels vroeg hij of hij mocht gaan zitten. Zijn houding was tweeslachtig. Tegenover mij gedroeg hij zich onderdanig, op het serviele af. Zijn bestelling daarentegen blafte hij richting bar.

Mijn tafelgenoot was mager. Zijn gemiddelde lengte in aanmerking genomen, vertoonde hij tekenen van ondervoeding en op z’n minst een chronisch vitaminegebrek. Hij leek een jaar of veertig, vijfenveertig. In werkelijkheid was hij vijfendertig, bleek later. 

Met een bestudeerd gebaar legde hij zijn muts voor zich op tafel. Zijn vingers streken langs het grijze bont, pauzeerden even en namen opnieuw een aanloop naar een gesprek. Het was als een aarzelende hordeloper die veel grotere hindernissen dan alleen de taalbarrière voor zich zag. Stil roerde hij zijn koffie en tikte daarna met zijn lepeltje op de rand van het kopje. Het klonk als een startschot.

“Het is koud he? Winters in Roemenië zijn verschrikkelijk.Veel te koud.” Ik lachte een beetje en zei dat het toch wel mee viel. De Roemeen nam een slok en gebruikte de pauze om z’n volgende openingszet te bedenken.

“Waar kom je vandaan?”

“Uit Nederland. Ik ben op doorreis naar Bulgarije.”

Het koffiekopje belandde met een klap op tafel. De Roemeen veerde op. “Je komt uit Nederland? Werkelijk waar? Oh, mister! Echt? Uit Holland? Dit is een mooie dag! Oh, thank god!”

Hij hief herhaaldelijk zijn handen ten hemel, de heer dankend en de dag prijzend. Uiteindelijk leunde hij na een diepe zucht met een ongelovige blik in zijn ogen achterover. Zijn uitbundige reactie veroorzaakte opschudding. Andere bezoekers keken argwanend toe hoe hun landgenoot zich opwond terwijl hij met een westerling sprak. Petru, zo stelde hij zich voor, begreep weer waar hij was. Hij taxeerde de schade van zijn uitbarsting. Kennelijk viel die mee. Op gedempte toon ging hij verder. “Mister, wat ben ik blij dat ik je heb ontmoet. Kom je echt uit Nederland? Luister. Je moet me helpen. Please. It’s only a little problem.”

Ik wilde beleefd en vriendelijk blijven maar dat kostte moeite. Dit ‘godsgeschenk’ was die dag al té lang geconfronteerd met mensen die van alles wilden: conducteurs die geld vroegen, soldaten die sigaretten bietsten, zwart geldwisselaars, kruiers en taxichauffeurs met hun onophoudelijk gevraag. Ik was moe en had er meer dan genoeg van. 

En nu zat die magere Roemeen mij hier verwachtingsvol aan te kijken. Terwijl ik was gewaarschuwd. Ik had net ‘Uitgestelde bevrijding’ gelezen, van prof. dr. Zdenek Radslav Dittrich, de vader van D66-politicus Boris Dittrich. De auteur was Tsjech van geboorte, in 1948 naar Nederland gevlucht en tot 1 oktober 1987 hoogleraar Oost-Europese geschiedenis aan de rijksuniversiteit in Utrecht. 

Dittrich zette onder meer uiteen hoe de bevolking in Oostelijk Europa in de voorbije eeuwen ‘geestelijk werd geknecht’ zoals hij het noemt, en concludeert: ‘Het communisme in zijn hoedanigheid van seculiere religie knoopte aan bij de ergste uitwassen van de contrareformatie’. Dittrich wijst op de sociaal-psychologische schade die daarbij is opgelopen. Schade die zich uit door: ‘Huichelachtigheid en cynisch conformisme, double think en dubbele moraal, torenhoge taboes met name op seksueel gebied en sadomasochistische deformaties in de persoonlijkheidsstructuur’.

Vooral van dat sadomasochistische deformaties in de persoonlijkheidsstructuur. was ik even stil geworden. Wat stond me allemaal niet te wachten bij mijn eerste kennismaking met Oost-Europa? 

Petru hing intussen aan mijn lippen en ik wist dat hij niet los zou laten voor ik had ingestemd. Ik was bang dat zijn ‘kleine probleempje’ geldgebrek zou zijn en verzoende me al half en half met het betalen voor een maaltijd. Hij moet gemerkt hebben dat ik aarzelde en begon gehaast en stamelend aan te dringen. “Really, It is a little problem. Please, ga even met mij mee naar huis. Only five minutes from here, my place is. Duurt maar eventjes. Please mister?”

Het vooruitzicht om met Petru mee te gaan, had iets aantrekkelijks. De laatste keer dat ik had gekeken, zou het nog zeker vier uur duren voor er een trein naar Bulgarije zou vertrekken. Het zou een verademing zijn om even het station te kunnen ontvluchten. Bovendien was ik nieuwsgierig naar Petrus’ huis en zijn verhaal. Het was een te toevallige kans om voorbij te laten gaan. Ik nam een besluit. “Goed. Ik ga met je mee. Maar ik wil wel eerst kijken hoe laat de treinen vertrekken. Ik moet hier zo snel mogelijk vandaan.”

Het klonk een beetje kortaf. Om Petru te ontmoedigen. Om hem vooral niet het idee te geven dat er een vette Westerse vis aan de haak was geslagen. Gedienstig hielp hij met het ophijsen van de rugzak terwijl hij zich vol bewondering afvroeg – al dan niet gemeend – hoe ik toch dat gewicht kon tillen. 

Met snelle driftige passen beende hij even later door de stationshal en slalomde nerveus tussen reizigers door naar het vertrekbord. Er zouden nog uren verstrijken voordat er weer een trein zou rijden. 

*

Bij de uitgang van het station snauwde Petru toeschietende taxichauffeurs naar hun wachtende auto’s terug. Tussen de walmende Trabantjes stormde een grommende tankwagen op ons af, met een neus gebouwd om het op te nemen tegen alles wat zijn weg maar durfde te kruisen. ”Deze kant op, deze kant op. Pas op, pas op,” waarschuwde hij steeds voor het aansnellende verkeer. Het station en de gebouwen rondom waren geblakerd door de uitlaatgassen. Er hing een benauwende walm van diesel vermengd met de onmiskenbare lucht van bruinkoolgestookte kachels.

De woning bleek inderdaad niet ver. Petru hield stil bij een verveloze voordeur die een duister halletje verborg. Hij maakte zich bij voorbaat vrolijk over de reactie van zijn familie. We stapten in een door een flets peertje verlichte lift, die angstig en waarschuwend kraakte toen we binnen traden. Er was nauwelijks plaats voor twee personen. Met de rugzak tussen ons in werden we langzaam naar de zesde etage getakeld. Petru probeerde intussen hakkelend en verward wat inzicht te geven in zijn familieverhoudingen. Ik begreep dat er een echtgenote of een vriendin was, een kind en nog een of ander familielid. 

Eenmaal boven gekomen was ik blij de benauwde lift te kunnen verlaten. Petru zocht nerveus naar zijn sleutels, mompelde, zuchtte, en belde toen aan.