3. De kinderen

‘Trrr… trrr… trrr…’ 

De cijfers ratelden over het metershoge bord boven het informatieloket in het station. Er verschenen steeds nieuwe vertrektijden, zonder mededogen met gestrande reizigers. Het leek wel alsof ze zich verheugden in het aangekondigde oponthoud. ‘Trr… trr… Blijf hier… blijf hier…’

 De aankomst- en vertrektijden waren bij benadering, zo stond er voor alle zekerheid bij. Vertragingen werden aangegeven in minuten. Een oponthoud van 270 minuten ratelde spontaan naar een onderbreking van 450 minuten; van 4,5 naar 7,5 uur. ‘Blijf hier…’ 

Ik zat gevangen tussen aankomst en vertrek, een moedeloos makend gat in de tijd. Mijn volgende trein moest uit Moskou komen en me naar Ruse brengen, net over de grens met Bulgarije. Daar zou ik voor de laatste keer overstappen, op de trein naar eindbestemming Varna. 

Dat de Rossiejskieje Zjeleznye Dorogi (RZjD, de Russische spoorwegmaatschappij) mijn reis niet tot topprioriteit had gemaakt, kon ik me nog wel voorstellen. Na het definitief uiteenvallen van de Sovjet Unie nu krap drie maanden geleden, op 8 december, hadden ze daar wel iets anders aan hun hoofd. Maar na zes uur hangen en drentelen tussen het informatiebord en een paar verwarmingsplaten in de hal hield ik het niet meer uit. Al die tijd had ik een bezoek aan een restaurant of café voor me uit geschoven. Ik had even geen zin in bedelpartijen of nieuwe, grove bejegeningen. Maar nu zocht ik met mijn rugzak als enige houvast toevlucht in het bufé, een bruin en sepia kleurige pijpenla met vier formica tafeltjes langs de ene en losse keukenstoelen tegen de andere wand. Binnen werden handeltjes beklonken en wisselden stapeltjes geld van eigenaar. Af en toe vloog er een kind naar binnen of naar buiten met een boodschap, of bedelend om sigaretten of geld. “Please give me a dollar mister? I love you. Please?”

De kinderen vormden een verhaal apart. Ze zwierven de hele dag rond op het station, soms spelend en zingend, dan bedelend of elkaar achterna zittend. Ze droegen afgetrapte schoenen en vieze truien. De meesten van hen hadden sluike ravenzwarte koppies, met vuile vegen onder veel te wijze ogen. Als ze niet door de volwassenen werden weggejaagd, vonden ze ’s avonds een beetje beschutting in de grote wachtruimte op het station; een lokaal met lange houten banken, schaars verlicht, waar honderden mensen soms al dagen wachtten – snurkend, ruziënd of dof voor zich uit starend – op treinen die misschien nooit meer zouden komen. Het voorportaal van de hel moest er ongeveer zo uit zien, inclusief de alles doordringende pislucht en stank van ongewassen lichamen. Voor de zwerfkinderen was er eventueel ook nog plaats onder de grond, tussen de verwarmingsbuizen en in de riolen van de stad. 

Zo erg was het.

2. Kijven

Intussen liep het oponthoud aan de grens verder op. Een conducteur waarschuwde dat het onverwarmde treinstel aan de grens zou achterblijven, inclusief mijn gereserveerde coupé. Hij loodste me het aangrenzende eersteklas treinstel in en wees een andere coupé aan. Zich excuserend opende hij de deur.

Ik begon bijna spijt te krijgen dat ik het vliegtuig niet had gepakt. Maar bij het plannen van de reis had ik al snel besloten dat het de trein moest worden, Ik was nieuwsgierig naar het ‘nieuwe’ centraal Europa. De Muur was nog niet zo lang geleden gevallen, Ceaușescu nog maar pas verjaagd, Joegoslavië viel uiteen; je kon ook nog maar net gewoon rondreizen door de voormalige Oostbloklanden als Hongarije, Roemenië en Bulgarije. Treinreizen leek me de uitgelezen manier om onderweg mensen te spreken en verhalen op te tekenen. Maar reizen met internationale treinen betekende lang niet altijd de grandeur van de Orient-Express, dat was inmiddels wel duidelijk. ‘Treinreizen romantisch? Het is alleen maar koud, koud, koud’, las ik later terug in mijn blocnote; gekrabbeld met verkleumde vingers en nauwelijks te ontcijferen.

De nieuwe ruimte was op een reizigster na leeg. Ze zat tegenover me; tenger, blonde staart en alweer zo’n mager gezicht. Haar holle ogen in de donkere kassen staken af tegen het bleke gelaat, als de zwarte sintels in het vliesdunne laagje sneeuw langs de spoorbaan. Ze groette vriendelijk.

Net nadat ik mij languit over drie zitplaatsen had uitgestrekt om te gaan slapen, kwam er een vrouw binnen. De nieuwe passagier eiste op hoge toon haar zitplaats, en daarmee mijn slaapplaats op. Briesend en kijvend schond ze de gemoedelijke status-quo; het pact dat net in de kleine ruimte was gesloten. Gehuld in haar bontmantel schold ze zich een weg dwars door mijn prille territorium heen, er op hamerend dat dit én eerste klas was, én gereserveerd. 

Terwijl ze haar dure kofferset in het net en de bijpassende beauty-case op mijn bank smeet, offerde mijn stille overbuurvrouw haar slaapplaats op en bood mij de zitplek naast haar aan. Het contrast tussen de twee vrouwen kon haast niet groter. Samen belichaamden zij een tegenstelling die ik later die reis vaker aan zou treffen. In die kleine coupé in een dwars door Roemenië stommelende trein leek het net alsof de Muur niet was omgevallen, maar honderdtachtig graden gedraaid. Mensen werden zo gescheiden in ‘have’ en ‘have-nots’. 

Een vriend in Bulgarije drukte het later zo uit: “De nomenclatura, de KGB en de maffia maken overal de dienst uit. Als je machtige vrienden hebt of veel zwarte handel, zit je goed en draag je een beauty-case of lammy-coat. De rest van de bevolking sjouwt met jouw kartonnen dozen en plastic Woolsworth-tasjes.”

De vrouw haalde er een conducteur bij, een die niets wist van eerdere afspraken. Het kostte vijf D-mark om zijn bezwaren weg te nemen. Ik mocht blijven zitten en de reis naar Bukarest kon verder in de eersteklas.