Op een van die dagen tijdens het eerste bezoek, begin van het jaar, gonsde en zoemde het opeens in Varna. Terwijl de sneeuw in de straten begon te smelten, leken de stad en de bewoners op te veren. Het was 1 maart, Baba Marta!
Iedereen droeg opeens een rood-wit gevlochten armbandje, de martenitsa. Of een rood-wit poppetje of rood-witte kwastjes. Journalisten op de redactie die zich hadden onderscheiden door harde grappen en cynische commentaren, schutterden nu half glimlachend met hun armbandjes en leken net zo te ontdooien als de laatste sneeuwresten op straat.
En dat alles dankzij de nationale feestdag Baba Marta, letterlijk ‘Grootmoeder Maart’. Het is vooral de viering van het einde van de winter en het begin van de lente en een manier om elkaar geluk en gezondheid te wensen.
Het straatbeeld fleurde er van op. Dat was er een paar dagen eerder al een stukje vrolijker op geworden nadat de USS Monterey in Varna was afgemeerd. De Amerikaanse geleide raketkruiser onderbrak haar oefeningen in de Middellandse Zee voor een paar dagen ‘rest and recreation’ in Varna. Daarna zou het aan een NAVO-oefening op de Zwarte Zee gaan deelnemen en een aantal steden rond de Middellandse Zee bezoeken. Opeens zag je in het straatbeeld groepjes flanerende bemanningsleden in karakteristiek ‘Navy Service Dress Blue’.
Een van de circa 400 opvarenden van de USS Monterey was matroos Billy McLeod. Hij genoot van een biertje op een terras en was in voor een praatje. Met een meewarige blik volgde hij een groepje luidruchtige maten die een café wilden binnen gaan. Nog elf maanden, daarna was hij dienstplichtig af en wilde hij ‘Europa doen’.
“Ik ben niet zoals de meeste van ons”, zei McLeod, een en al blond blakend Amerikaans. Half-verontschuldigend wees hij met zijn glas naar zijn collega’s. “Zij zijn alleen geïnteresseerd in getting laid and getting drunk. Voor mij is dit het mooiste dat ik kan meemaken: nieuwe mensen ontmoeten, vrienden maken, kletsen met een biertje erbij, met elkaar eten. Dit is waarom ik bij de Navy wilde, om te kunnen reizen en veel mensen te ontmoeten. Niet zoals de rest die, als we ergens wegvaren, zeggen: ‘Het was weer helemaal niets’.”
*
Voor de USS Monterey en de meeste van haar opvarenden was dit dus waarschijnlijk niet veel meer dan een zoveelste beleefdheidsbezoek. Maar voor de bevolking betekende de komst van schip en bemanning heel wat meer. Het bezoek was goed voor de economie en een symbolische opsteker die onderstreepte dat Bulgarije nu toch echt bij het vrije westen hoorde.
De eigen marinevloot lag bekoorlijk weg te roesten. Tijdens de economische crisis was het defensiebudget met 38 procent verlaagd, van 550 miljoen dollar in 1990 tot 340 miljoen dollar in 1991. ‘Het vermogen van Bulgarije om een marine op te bouwen na de val van de Sovjet-Unie werd negatief beïnvloed door de erfenis van de Koude Oorlog, het gebrek aan defensiehervormingen gedurende bijna een decennium nadat de communistische leiding in 1989 was vervangen en dalende defensiebudgetten’, schreef dr. Deborah Sanders een aantal jaren later. Sanders is hoofddocent bij de afdeling Defence Studies van het King’s College in Londen. Zij deed uitgebreid onderzoek naar onder meer de Bulgaarse en Roemeense marines en de veiligheidssituatie op en rond de Zwarte Zee.
In ‘The Bulgarian navy after the Cold War: challenges of building and modernizing an effective navy’, neemt Sanders de Bulgaarse marine uitgebreid onder de loep. Tijdens de Koude Oorlog was Bulgarije er altijd vanuit gegaan dat het Warschaupact in het geval van een militair conflict te hulp zou schieten, zo stelt Sanders. De Bulgaarse marine leverde schepen als aanvulling op de Sovjet-vloot in de Zwarte Zee. ‘Als een van de meest loyale bondgenoten van Moskou kreeg Bulgarije niet alleen militaire maar ook economische hulp van de Sovjet-Unie. Tussen 1946 en 1990 ontving Bulgarije bijna 16,7 miljard dollar aan militaire en industriële hulp bij defensie.’
Die bron was na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie opgedroogd en er was niets voor in de plaats gekomen. In de woorden van Sanders: ‘Het verlies van militaire bijstand van de USSR en het gebrek aan latere investeringen in marinemiddelen en -capaciteiten door opeenvolgende Bulgaarse regeringen hadden een negatieve invloed op de maritieme macht van het land. Het verlies van toegang tot Sovjet-reserveonderdelen en -upgrades resulteerde in een ernstige verslechtering van de maritieme uitrusting en capaciteiten’.
*
Hier, in de haven van Sozopol, lag een deel van die verwaarloosde marinevloot vlak voor ons; grijs gebladderd, geroest en verlaten.
Om de haven aan te lopen, waren we om de punt van het schiereiland waarop Sozopol ligt heen gevaren. Een draagvleugelboot die dagelijks de steden langs de kust met elkaar verbindt, hadden we even voor laten gaan. Het gevaarte scheerde over het water als een lamme eend die maar niet los wil komen.
De haven lag met de rug naar zee en bood door de ligging waarschijnlijk meer bescherming dan de marine. Aan bakboord in de langgerekte haven lagen een stuk of acht schepen, van verschillende klassen en tonnages. Het was nog net geen scheepskerkhof, de schepen dreven tenminste nog, maar alles ademde verval en vergane glorie. Het was er ook doodstil; geen geroep van werklui, herrie van gereedschap of luidkeelse bevelen. Boven het stadje stak het voormalig opleidingsinstituut voor zeevarenden uit, een markant gehoekt wit gebouw met een torentje en even stil.
Omdat Sozopol een marinebasis huisvest, was de haven altijd verboden voor buitenlandse jachten, ook Russische. Maar een dag na ons bezoek meldt de radio terwijl we onderweg zijn dat de regering Sozopol heeft uitgeroepen tot open city. Voortaan mag iedereen over het water naar binnen. Gejuich aan boord.
Sozopol zelf is een van de oudste steden aan de Bulgaarse kust. Het is een schilderachtig stadje met uit hout en keien opgetrokken huizen. Handwerkende vrouwen zitten in groepjes voor de woningen en prijzen bijna verlegen hun koopwaar aan: vakkundig gehaakte kleden die aan lange lijnen langs de straatjes hangen. Vijf lome kippen dommelen in de schaduw van een Trabant. ’s Avonds ligt er dauw op het dek. “Dat is een teken dat het morgen mooi weer wordt.”
De voorspelling van Ivan komt uit. De terugweg naar Varna deinen en zwalken we achter de paarse, witte en zwarte banen van de spinnaker aan. De zee is leeg, zoals gebruikelijk. In Bjala – de laatste tussenstop – delen we het haventje achter de strekdam alleen met een paar vissersboten.
Terwijl de zon ondergaat, komen over de pier drie vissers traag en slepend zingend aangelopen, de armen over elkaar schouders geslagen. Ze houden even halt, zwaaien en brengen ons dan een serenade.
Sarajevo is heel ver weg.