6. Demonstraties

Het zuiden van Bulgarije begint voorbij de kaap Nos Emine en de havenstad Burgas. Nos Emine ligt ruim 55 km ten zuiden van Varna en vormt de uitloper van het langgerekte Stara Planina gebergte dat Bulgarije in noord en zuid verdeelt. In dit deel liggen talrijke aantrekkelijke plaatsjes en verschillende ongerepte baaien, vaak alleen over water bereikbaar.

Ivan besluit een baai in te varen, de Sveta Paraskeva. Wanneer achter het anker is gevallen, voor aan een rotsblok is vastgemaakt en de motor tot zwijgen is gebracht, is het heel even heel nadrukkelijk stil. Roodgrijs graniet omarmt het heldere water. Onder de oever zwemmen talloze scholen kleine visjes. Het bos knerpt, ritselt en geeft allerlei vogelgeluidjes prijs. Dan echoot de roep van Ivan tegen de beboste flanken: “Paraaaadise!”

De plek is inderdaad prachtig en ligt midden in een natuurgebied dat van partijleider Todor Zjivkov is geweest. Vanaf het water gezien is het de communistische variant op een coulisselandschap; zo’n gebied dan vanaf het water beschouwd alleen maar evenwicht en harmonie lijkt te beloven. De falende economie, schaarste en armoede blijven verborgen achter de fraaie rotspartijen en groene bosranden langs de kust. Niet voor niets trokken communistische leiders zich hier graag terug.

Toen hij in 1989 werd afgezet, was kameraad Zjivkov 33 jaar onafgebroken aan de macht geweest. Op 10 november 1989, een dag na de val van de Berlijnse muur, werd de hondstrouwe bondgenoot van de Sovjet-Unie na een paleisrevolutie door zijn vrienden in het Politbureau gedwongen om af te treden ‘wegens gezondheidsredenen’. 

De coup stond onder leiding van ex-minister Peter Mladenov, de latere president. Een van de andere deelnemers was oud-vicepremier Andrej Loekanov. Hij werd in februari 1990 benoemd tot minister-president en begon besprekingen met de oppositie. Dat leidde in maart 1990 tot de invoering van een meerpartijenstelsel en in juni 1990 tot vrije verkiezingen. Die werden met overmacht gewonnen door de (inmiddels ex-) communisten die hun partij hadden omgedoopt tot de Bulgaarse Socialistische Partij. Deze BSP won 211 van de 400 parlementszetels waarna Loekanov vergeefs probeerde een regering van nationale eenheid te vormen.

Maar het rommelde en in het najaar van 1990 laaiden de anticommunistische gevoelens hoog op. Het hoofdkwartier van de BSP werd aangevallen en er vonden opnieuw demonstraties plaats, vooral tegen de aangekondigde economische hervormingen. De vakbonden dreigden met een algemene staking. De economie was volledig gestagneerd. Er waren voedseltekorten, de stroom was op rantsoen en de industrie zwaar verouderd. 

Loekanov diende zijn ontslag en verdween naar de politieke achtergrond. Een ‘regering van deskundigen’ moest economische hervormingen voorbereiden, een nieuwe grondwet opstellen en nieuwe verkiezingen uitschrijven. 

Een jaar eerder waren de buitenlandse kredieten aan Bulgarije stopgezet nadat het was gedwongen om de schuldenlast af te lossen. Er moesten dus ook afspraken worden gemaakt met buitenlandse geldschieters. 

In februari 1991werden economische hervormingen ingevoerd. De prijzen en de wisselkoers werden geliberaliseerd. Ook het staatsmonopolie op de buitenlandse handel werd opgeheven. Volgens een rapport van de Europese Unie (1) was “het toen ingevoerde stabilisatieprogramma gebaseerd op een strikt monetair en budgettair beleid en een drastische inkomenspolitiek. Toen dit beleid aanleiding gaf tot sociale spanningen werd het in september 1991 enigszins ‘versoepeld’.”

Politiek bleef de situatie instabiel. In december 1991 volgden opnieuw verkiezingen maar geen van de deelnemende partijen behaalde een meerderheid. Uiteindelijk werd een nieuwe ‘regering van deskundigen’ gevormd dat tot december 1994 het land zou besturen. Met ex-premier Loekanov liep het overigens niet best af. In 1992 werd hij gearresteerd op beschuldiging van fraude. Ook zou hij als minister van Buitenlandse Handel dubieuze contacten hebben onderhouden met Westerse zakenlieden als Robert Maxwell. De aanklachten werden later weer ingetrokken. 

Loekanov zou uiteindelijk op 2 oktober 1996 voor zijn appartement in Sofia door een onbekende dader in zijn hoofd en borst worden geschoten en overleefde de aanslag niet. Het motief is nooit opgehelderd. Mogelijk werd de dader door een politieke tegenstander ingehuurd maar er werd ook gespeculeerd over een criminele afrekening.

*

In de baai kijkt Ivan genietend om zich heen. Afgezien van een apparatsjik die hier nog een datsja heeft, bestaat volgens hem de lokale bevolking uit onder meer wolven, beren en slangen. “Je moet hier oppassen voor de ‘pep lanka’, een gifslang met een lengte van vijftig centimeter tot een meter. Ze zijn niet zo agressief, alleen als je ze opschrikt. Je moet daarom een beetje uitkijken bij het lopen.” 

Ivan is een van de velen die het nodige verwacht van de opening van het RMD-kanaal en de vrije markteconomie. De slechte economische situatie in de landen rond de Zwarte Zee heeft geleid tot een daling van het aantal bezoekers in Bulgaarse havens. In 1991 telde de havenmeester in Varna nog zo’n honderd jachten; zeventig uit de voormalige Sovjet-Unie, dertig uit het westen. Dit jaar zijn dat er pas een stuk of dertig, terwijl het seizoen al over de helft is.

“Ik zou elke week een stel mensen vanuit Varna hier mee naar toe willen nemen”, gaat Ivan even later verder terwijl hij om zich heen wijst. “Maar hoe leg je ze uit hoe schitterend dit gebied is? Hoe overtuig je ze? Vorig jaar kwam ik hier nog wel eens Bulgaarse schepen tegen. Nu heeft niemand meer tijd. Iedereen heeft het veel te druk met werken, met ondernemen.” 

5. Buien

Om een uur of elf ’s avonds verlaten we het haventje waar Ivan de boot heeft liggen. Het is een Petterson kajuitzeiljacht van een kleine tien meter. Snel steken we de scheepvaartroute over. Het is rustig op het water. Er liggen meer schepen voor anker wachtend op lading dan dat er rond varen. 

Over een fluorescerende zee gaat het naar het zuiden. Een mijl uit de kust ligt de steven urenlang vastgeklemd tussen een heldere ster hoog in het bakboordswant en een rood baken op de wal, stuurboord van de mast. Ivan en Maria duiken al vrij snel na het vertrek in hun kooi. De koers is pal zuid, 180 graden. Het buitenmaats model kompas komt van een koopvaardijschip en bewijst goede diensten. 

Verderop in het zuiden ligt de Bosporus naar de Middellandse Zee. Van de haven van Istanbul naar die van Varna is over water zo’n 180 zeemijl, zo’n 335 kilometer. De Bosporus is een flessenhals die westerse schepen en jachten dit jaar liever voorbij varen. Sinds kort is er wel een nieuwe toegangspoort, een waarvan in de Balkan wordt gehoopt dat het de Mare Incognitum verder zal ontsluiten. Alsof er geen zwaarbevochten grenzen bestaan, wordt dwars door Europa hard gewerkt aan de voltooiing van een kanaal dat de Noordzee in het westen rechtstreeks verbindt met de Zwarte Zee in het oosten: het Rijn-Main-Donau-kanaal.

Al in de tijd van Karel de Grote werd gedroomd van zo’n verbinding tussen de stroomgebieden van de Rijn en de Donau. Een deel van het kanaal is al in gebruik en in september 1992 gaat het hele RMD-kanaal open. Dat moet, zo is de hoop in Roemenië en Bulgarije, een impuls geven aan het vrachtvervoer. Maar langs de boorden van de Zwarte Zee hoopt iedereen toch ook op een boost van het toerisme. Dat is hard nodig. De economie van Bulgarije is na 1989 door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie sterk ingezakt, waarbij de levensstandaard daalde met 40 procent. 

In de regel waait er aan de Bulgaarse kust van begin mei tot eind september ’s nachts een aflandige wind die in de loop van de ochtend gaat liggen. Een paar uur later steekt er dan vanaf zee een briesje op die in de loop van de dag zal draaien. Maar de afgelopen dagen was het weer van slag. ’s Nachts draait de wind dan ook alle kanten op. Het eerste uur na ons vertrek is het windstil en moet de motor bij. 

Dan brengt een zachte bries warme dennengeur vanaf het land. De wind wakkert aan. Ter hoogte van het plaatsje Byala staat er al een dikke vijf en schuimend ruist de zee om ons heen; groen oplichtende golven laten het schip af en toe flink rollen. De halve wind zwenkt van lieverlee naar de bakstag. De lucht trekt dicht en achteromkijkend zien we felle bliksemschichten een zwart gordijn uiteen rijten. De Petterson racet snorrend en trillend over de golven, op de huid gezeten door de bakstagwind. 

De zee doet z’n oude Griekse naam eer aan. Omdat het hier in de Griekse oudheid moeilijk navigeren was, zeker in zware stormen of met dichte mist, noemden de oude Grieken deze zee Pontos Axeinos: ‘Donkere’ of ‘Sombere Zee’. Dat werd al in de eerste eeuw na Christus vastgelegd door de Romeinse geograaf Pomponius Mela. Volgens hem kwam de benaming van Griekse reizigers die na ontberingen als storm en dichte mist vaak ook nog eens te maken kregen met een strijdlustige lokale bevolking langs de kusten. Waarschijnlijk waren de Romeinen een paar eeuwen later al wat meer vertrouwd geraakt met de Zwarte Zee. Zij spraken juist van Pontos Euxinos: de ‘Gastvrije Zee’. 

Gastvrij of niet, opeens en zonder waarschuwing varen we hoog aan de wind en gaat het snel harder waaien. Telkens lichten er schuimkoppen op. Met het ongereefde grootzeil en de genua op loopt het schip na een paar stevige rukwinden uit het roer. We hangen tussen omslaan en drooghouden. Dan schieten we met het zweet in de handen in de wind op. Met een gewaarschuwde Ivan strijken we snel de genua en hijsen we een kleiner voorzeil. Als om vijf uur de zon opkomt, krimpt Aeolus ineen na een laatste ademtocht uit het oosten. We zijn gevorderd tot de kaap Nos Emin. De motor moet aan en pruttelt slaapverwekkend. 

Een uurtje later is het helemaal licht. In de wijde verte is geen schip te zien.

 “Als je nu langs de kust vaart en hier niet bekend bent, dan heb je het niet makkelijk”, zei de Russische zeezeiler Vladimir Troitsky eerder die week. ‘Er zijn geen pilots en kaarten zijn vaak moeilijk leesbaar door het cyrillisch schrift. Maar er wordt aan gewerkt.”

Dat was de zondag voor vertrek, aan het eind van de ochtend. In de kajuit van de Hermes deinden de gerookte worsten hangend aan het plafond. Een van de zeilers sneed een paar flinke plakken worst en kaas en vulde een paar schaaltjes met olijven en reepjes tomaat. Met zijn zeskoppige bemanning was Vladimir met de Hermes onderweg van Sebastopol in de Krim naar Istanbul. Alle opvarenden waren lid van de zeilclub van de Zwarte Zeevloot van de Sovjet-Unie. De mannen kwamen uit Litouwen, Rusland en de Oekraïne. Van nationalistische tegenstellingen was aan boord van de Hermes geen sprake. “We zijn allemaal vrienden van de zee”, klonk het eensgezind. 

Een aantal glazen wodka later was ook de verbroedering van oost en west compleet.